Noord-Hollands Perspectief op de Regionale Energie Stra­te­gieën


3 februari 2020

Voorzitter,

In de omgevingsverordening zal beleid juridisch een plek moeten krijgen via het ‘Bijzonder Provinciaal Landschap’, waarin een aantal van de bestaande beschermingsregimes worden samengevoegd. Het BPL gaat uit van sturing op basis van gebiedspecifieke kenmerken. Of dit instrument daadwerkelijk gaat bijdragen aan een effectief ruimtelijk ordeningsbeleid, zal de toekomst uitwijzen.

Zolang deze omgevingsverordening, met al die ongetwijfeld prachtige kernkwaliteiten, niet is vastgesteld, is het concept BPL nog een lege huls. Een verzameling van gebieden met eigenlijk maar een vast gemeenschappelijk kenmerk: het feit dat ze bijzonder geacht worden. En daar, voorzitter, zit ‘m nou precies de crux.

Bij het in dit stadium aanwijzen van mogelijke zoekgebieden voor het opwekken van energie door middel van wind- en/of zonne-energie, schiet dit instrument gewoonweg te kort. Waarom zal ik u uitleggen.

Het criterium ‘bijzonder’ zegt niets over de landschappelijke inpasbaarheid van windturbines en/of zonnepanelen.

Ik heb het in de commissie RWK al aangegeven:

De Partij voor de Dieren is voor het beschermen van kleinschalige cultuurlandschappen, gebieden met veel landschappelijke afwisseling en een hoge natuur- en belevingswaarde. Wij delen daarom ook de zorgen van de gezamenlijke natuurorganisaties. Gebieden als de binnenduinrand bij Schoorl en Egmond, de Eilandspolder en de ’s Gravelandse buitenplaatsen lenen zich naar onze mening niet voor grootschalige ruimtelijke verstoring.

Andere BPL’s vinden wij daar echter juist wel geschikt voor. Gebieden waar grootschalige ruimtelijke structuren dominant zijn, hetzij lineair (bv. Het Noord-Hollands kanaal en het Noordzeekanaal en de Rijks- en Provinciale wegen), hetzij in oppervlakte (zoals de grote droogmakerijen in onze provincie).

Daarom had het wat ons betreft in deze fase van het proces óf beter geweest om reeds nadrukkelijk op zo’n tweedeling voor te sorteren óf het BPL verhaal nog even op zak te houden. Nu is er een hoop onrust gecreëerd, omdat iedereen het door hem of haar minst gewenste scenario tot de mogelijke uitkomsten ziet. De kaartjes in de bijlage lijken daar vooral aan te hebben bijgedragen.

Nu sommige fracties van het kaartmateriaal lijken af te willen, zullen wij niet dwarsliggen. Ik wil eerst nog maar eens goed lezen wat de VVD en SP precies voorstellen.

Voorzitter, de Partij voor de Dieren is van mening dat we als Provincie een goede balans moeten waarborgen tussen sturen op bovenregionaal overstijgende belangen enerzijds, en ruimte laten voor maatwerk op het relevante ruimtelijk schaalniveau anderzijds.

Met andere woorden: niet alles dichttimmeren, maar ook niet alle verantwoordelijkheid ontlopen waar wij als Staten zorg voor moeten dragen. Wat ons betreft doet de tekst in de bijlagen afdoende recht aan deze balans.

Vooral de aanvullingen naar aanleiding van de bijdrage van de commissie RWK, tijdens de vergadering van 13 januari jongstleden, dragen daaraan bij.

Eén ding moet me daarbij echter wel van het hart. Mevrouw Sanderse van het CDA haalde daar een motie van de Partij voor de Dieren aan van februari 2019 over kleine windmolens, met daarbij de vraag waarom er terughoudendheid is bij kleine windmolens. Een terechte vraag, maar de toevoeging in het Perspectief die naar aanleiding van deze vraag gedaan lijkt te zijn, richt zich voornamelijk op agrarische erven. Toch wel een heel aparte constatering: buurman boer mag uitdrukkelijk wel in zijn eigen duurzame energiebehoefte voorzien, maar buurman loonbedrijf of andere burgers en ondernemers niet.

Daarom dien ik dit amendement in waarin ik het volgende voorstel:

“Het Noord-Hollands Perspectief op de Regionale Energie Strategieën wordt als volgt gewijzigd:

op blz. 13, onder Ad II, wordt in de voorlaatste zin na “geen grote windturbines staan of komen” toegevoegd: , waarbij we aantekenen dat we openstaan voor plaatsing van microturbines voor iedere burger, dus ook buiten agrarische erven.”

Voorzitter, net als de Natuurorganisaties missen we in het hele verhaal echter wel aandacht voor trekroutes van vogels en vleermuizen. Wanneer we het over windturbines hebben, is dit voor ons toch het eerste wat naar boven komt drijven. In de Omgevingsvisie wordt immers de bescherming van natuur als belangrijk doel gesteld. Daarnaast heeft de Provincie de wettelijke taak om dieren te beschermen.

Daarom dien ik een tweede amendement in waarin ik het volgende voorstel:

“Het Noord-Hollands Perspectief op de Regionale Energie Strategieën wordt als volgt gewijzigd:

op bladzijde 12 onder Ad I en na de laatste zin van de alinea ‘(…) verdeling van de lusten en lasten voor de omgeving’ wordt toegevoegd: ‘Bij het bepalen van mogelijke locaties voor windturbines, wordt rekening gehouden met vogels en vleermuizen. De plaatsing van windturbines op trekroutes van vogels en vleermuizen is niet wenselijk.’”

Voorzitter, gezien de enorme verschillen tussen microturbines, kleine turbines, grote turbines en XL-turbines, en de verschillen tussen bebouwde kom en lintbebouwing enerzijds, en solitaire bebouwing anderzijds, lijkt een vast afstandscriterium ons onwenselijk. Helemaal wanneer je ook bedrijventerreinen met een hoog achtergrondgeluidsniveau in beschouwing neemt.

Wel zijn wij van mening dat er bij onredelijke benadeling ruimte moet worden geboden voor compensatie of de mogelijkheid tot participatie. Als we echter 600 meter of meer gaan vastleggen voor de gehele provincie, zonder alternatieven, rijst bij ons toch echt de vrees dat er louter ruimte blijkt te zijn binnen onze NNN en Natura 2000 gebieden. Want dat wordt tot onze spijt namelijk niet expliciet uitgesloten.

Dank u wel.