Amen­dement Omge­vings­ver­or­dening: Regels Wind­tur­bines


5 oktober 2020

Betreft agendapunt 9 (VD-44): Omgevingsverordening NH 2020

Provinciale Staten van Noord-Holland, in vergadering bijeen op 22 oktober 2020, ter behandeling van voordracht VD-44, inzake ontwerpbesluit Omgevingsverordening NH 2020,

besluiten in bovengenoemd ontwerpbesluit het besluit als volgt aan te vullen:

met dien verstande dat de navolgende tekst op bladzijde 43 van het Eindconcept Omgevingsverordening NH2020:

Artikel 6.22 Windturbines

2. In afwijking van het eerste lid mag ter plaatse van het werkingsgebied herstructureringsgebied windturbines binnen de MRA met behulp van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2° of 3° of tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van een bestemmingsplan of een beheersverordening wordt afgeweken het bouwen of opschalen van een of meer windturbines mogelijk worden gemaakt, waarbij:

a. de windturbines in een lijnopstelling worden geplaatst van minimaal drie windturbines;
b. de rotorbladen van de windturbines binnen een lijnopstelling dezelfde draairichting hebben;
c. de windturbines binnen een lijnopstelling eenzelfde verschijningsvorm hebben;
d. de ashoogte van de windturbines maximaal 120 meter bedraagt;
e. de rotordiameter voor windturbines met een ashoogte vanaf 80 meter gelijk is aan de ashoogte met een maximale afwijking van tien procent en de rotordiameter voor windturbines met een ashoogte tot 80 meter gelijk is aan de ashoogte met een maximale afwijking van twintig procent, met dien verstande dat voor windturbines met een ashoogte tot 80 meter de afstand tussen het laagste punt van de tip van het rotorblad en maaiveld minimaal 28 meter bedraagt;
f. de windturbines op minimaal 600 meter afstand worden geplaatst van gevoelige bestemmingen en in geval van bijzondere lokale omstandigheden normen als bedoeld in artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer worden vastgesteld conform de daarvoor gestelde voorschriften in artikel 7.17; en g. de windturbines zorgvuldig ruimtelijk worden ingepast.

wordt gewijzigd in:

Artikel 6.22 Windturbines

2. In afwijking van het eerste lid mag ter plaatse van het werkingsgebied herstructureringsgebied windturbines binnen de MRA met behulp van een
omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2° of 3° of tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van een bestemmingsplan of een beheersverordening wordt afgeweken het bouwen of opschalen van een of meer windturbines mogelijk worden gemaakt, waarbij:

a. de windturbines in een lijnopstelling worden geplaatst van minimaal drie windturbines;
b. de rotorbladen van de windturbines binnen een lijnopstelling dezelfde draairichting hebben;
c. de windturbines binnen een lijnopstelling eenzelfde verschijningsvorm hebben;
d. de rotordiameter voor windturbines met een ashoogte vanaf 80 meter gelijk is aan de ashoogte met een maximale afwijking van tien procent en de rotordiameter voor windturbines met een ashoogte tot 80 meter gelijk is aan de ashoogte met een maximale afwijking van twintig procent, met dien verstande dat voor windturbines met een ashoogte tot 80 meter de afstand tussen het laagste punt van de tip van het rotorblad en maaiveld minimaal 28 meter bedraagt;
e. de windturbines minimaal voldoen aan de wettelijke normen voor geluidsbelasting en slagschaduw;
f. de obstakelverlichting wordt beperkt tot de minimale variant, die het ICAO (International Civil Aviation Organization) voorschrijft; en
g. de windturbines zorgvuldig ruimtelijk worden ingepast.


Toelichting
De provincie hanteert harde criteria als het gaat om afstand tot woningen of andere gevoelige bestemmingen en voor wat betreft de hoogte van een windturbine. Het is niet gezegd dat daarmee overlast ook daadwerkelijk wordt voorkomen c.q. beperkt of dat een windturbine ook daadwerkelijk goed landschappelijk ingepast kan worden. Het kan zijn dat een windturbine prima gerealiseerd kan worden zonder overlast te veroorzaken, maar dat deze toch niet past volgens de voorgestelde
Omgevingsverordening. Andersom is het niet ondenkbaar dat de huidige criteria onvoldoende bescherming bieden van de leefkwaliteit in een gebied, bijvoorbeeld door toepassing van overmatige verlichting. Wettelijke regels bieden reeds bescherming door eisen te stellen aan de geluidsbelasting (maximaal 47 dB Lden en 41 dB Lnight geluidsbelasting op gevoelige bestemmingen) en slagschaduw.
Door onwerkbare criteria los te laten en te focussen op criteria die daadwerkelijk bedoeld zijn om de gevolgen voor mens, dier en landschap te beperken, creëert de provincie meer ruimte voor de opwek van duurzame energie, terwijl de nadelige effecten zoveel mogelijk worden voorkomen.


Status

Ingetrokken

Voor

Tegen