Woon­a­genda


17 april 2020

Allereerst wil ik mijn dank uitspreken richting de gedeputeerde dat veel input vanuit deze commissie in de Woonagenda is meegenomen. Daarnaast ben ik blij dat deze woonagenda geen statisch document is, en dat aanpassing onder invloed van actuele ontwikkelingen mogelijk is.

Wat wel nog enigszins ongrijpbaar blijft, is het richtinggevende principe dat als eerste wordt genoemd: de vraag is leidend. Hoewel hier al een kleine verduidelijkingsslag overheen gegaan is, vraag ik me nog steeds af hoe het begrip ‘kwalitatieve vraag’ het best gedefinieerd kan worden.

Is dit een kwestie van individuele preferenties (de wens?), of van behoefte (hoeveel woonruimte heeft een persoon nodig?)? De waarheid zal zich waarschijnlijk ergens tussen deze twee uiteinden bevinden, maar waar ligt die balans precies? Is het definieerbaar, of blijft ‘kwalitatieve vraag’ een subjectief begrip?

En mijn fractie heeft nog een andere zorg. En citeer ik even:

“Zowel sociaal gezien als vanuit mobiliteit en economie is verdringing van lagere en middeninkomens ongewenst. We streven daarom naar een gevarieerd woningaanbod in alle gemeenten, dat zoveel mogelijk aansluit op de woningbehoefte (prijs/type woning/woonmilieu) en ook toegankelijk is voor mensen met een laag of middeninkomen.

Het is aan gemeenten om te bepalen in welke prijsklassen er gebouwd gaat worden, wat voor woningtypen er geprogrammeerd worden en welke doelgroepen worden bediend, en om hierover afspraken te maken met bouwende partijen. Ook het formuleren van bijvoorbeeld een minimumaandeel sociale huur, middenhuur of betaalbare koop laten we aan de regio, maar we stimuleren wel dat hierover maatwerkafspraken worden gemaakt.”

Hierbij rijst mij toch echt een vraag:

Want hoe gaan we dan stimuleren dat hierover maatafspraken worden gemaakt, en is louter stimuleren wel genoeg? We zien al jaren dat veel gemeentes rondom Amsterdam voornamelijk woningen bouwen die voor hun eigen inwoners niet of nauwelijks betaalbaar zijn. Met als gevolg dat de ‘eigen jeugd’ nog steeds geen woning kan bemachtigen, en gedwongen wordt tussen de keuze tussen:

  • een flatje in grote stad
  • verhuizen naar de periferie, ver van het werk
  • soms wel tot 15 jaar wachten op een vrijgekomen huurwoning

Zo verdwijnt een groot deel van de beroepsbevolking met binding met de woonplaats, wat zich laat voelen in de lokale economie en in het verenigingsleven.

En dat terwijl er ook nog eens enorme Vinex-wijken zijn vaak een of twee personen een ruime eengezinswoning bewonen, vaak mogelijk gemaakt door huursubsidie.

In deze gemeenten worden steeds maar weer dure grote huizen neergezet, in plaats van kleinere woningen die deze zogenaamde ‘empty-nesters’ verleiden om hun eengezinswoningen te verlaten. De gemeentes werken hier al sinds jaar en dag aan mee, omdat dat hogere inkomsten genereert. De verwachting dat dit nu opeens zou gaan veranderen lijkt ons een utopie.

In mijn eigen gemeente zie ik al jaren dat projectontwikkelaars echt niet zitten te wachten op het bouwen van betaalbare woningen, en dat de gemeente niet van wil of bij machte lijkt om aanpassingen van de plannen om financiële redenen te voorkomen.

We zien momenteel hetzelfde bij het project Zandzoom in Heiloo. Kosten blijken hoger, onkosten vallen tegen en huppakkee: 40% sociale woningbouw wordt 20%.

We vragen ons dus kortom af hoe we dit in ogenschouw nemende het in de woonagenda genoemde stimuleren moeten opvatten.

Ik ben positief begonnen, en wil ook positief eindigen. Natuurinclusief bouwen lijkt nu eindelijk nadrukkelijker in het beleid naar voren te komen! We zien echter nog wel dat natuurinclusiviteit voornamelijk alleen wordt gezien als positieve bijdrage aan een gezonde woonomgeving. De Partij voor de Dieren zou echter de Partij voor de Dieren niet zijn, als we ook hier de aandacht willen vestigen op de intrinsieke waarde van de natuur en voor woonwijken als de leefomgeving van meer van onze inwoners dan alleen de menselijke.