Bijdrage Wnb- ontheffing storting asfalt­gra­nulaat Circuit Park Zandvoort


Provincie kiest kant voor commer­cieel evenement, in plaats van natuur

11 februari 2021

Voorzitter,

Dit speelt sinds mei 2020. Er is door het Circuit Park Zandvoort illegaal asfaltgranulaat gestort. Toen concludeerde gedeputeerde Rommel zeer terecht, en ik citeer: “Er is een rust- en voortplantingsgebied van beschermde diersoorten permanent vernietigd en dat is een kwalijke zaak.” Toch ligt er nu een ontheffing en is de vernietiging achteraf grotendeels gelegaliseerd.

Er zouden geen alternatieven mogelijk zijn. Terwijl natuurorganisaties wél een concreet alternatief hebben aangedragen. Veel commissieleden hebben meermalen gevraagd deze alternatieven te onderzoeken, als een contra-expertise op de gegevens die het Circuit aan de Omgevingsdienst (OD) leverde.

De gedeputeerde heeft met de aangehouden motie in december gezegd de OD te vragen, en ik citeer “voordat zij het legalisatiebesluit neemt, een reconstructie te maken van hoe zij de afweging van de alternatieven precies hebben gemaakt.”

Deze reconstructie hebben wij nog steeds niet ontvangen. De vraag is waarom niet?
En waarom is het alternatief van de natuurorganisaties, niet verder onderzocht, terwijl dit alternatief in de technische rapportage bij de vergunningaanvraag - van Ingenieursbureau Inpijn-Blokpoel - beoordeeld is als uitvoerbaar?

Voorzitter,

Er ligt nu alleen een brief van de OD met de mededeling dat ze geen reden zien om het definitieve besluit aan te houden. Daar worden grofweg twee redenen voor genoemd.

1. Er zou snelheid geboden zijn. Maar OD had maanden de tijd (en heeft die nog steeds) om serieus te kijken naar alternatieven. De huidige zaak staat los van de lopende rechtszaken, zit die zaken niet in de weg en dat wordt dus ook onterecht aangehaald als argument.

2. De OD stelt dat er vanuit de inhoud geen noodzaak is om het definitieve besluit aan te houden. Maar er zijn ernstige en plausibele twijfels aangedragen door natuurorganisaties. Bovendien geeft het groot openbaar belang van kwetsbare natuur en de noodzaak om daarbij zorgvuldig te handelen, alle reden om te besluiten om zo’n besluit aan te houden. Zoiets heeft GS ook bij Tata gedaan.


Drie vragen aan commissie:

1. Wat vinden de commissieleden van deze gang van zaken, waarbij we meermaals vragen om opheldering over de alternatieven van de natuurorganisaties en we de informatie nog steeds niet krijgen?

2. Vinden de commissieleden samen met de natuurorganisaties ook dat er redenen waren om te wachten met het afgeven van de definitieve ontheffing, totdat het alternatief van de natuurorganisatie volledig onderzocht was, om zo zorgvuldig om te gaan met het groot openbaar belang van natuur?

3. Vinden de commissieleden dat we alsnog GS moeten opdragen om onafhankelijk onderzoek te doen naar het alternatief van de natuurorganisaties?