Vragen over PAS, uitstoot veehou­de­rijen en komst van nóg een megastal


8 juni 2018, A.E. van Liere en drs. L.D. Vermaas

INLEIDING VRAGEN

PAS en uitstoot van veehouderijen Onlangs stuurde u antwoorden op onze vragen over de natuurschade door de programmatische aanpak stikstof (PAS).1 U lijkt er alle vertrouwen in te hebben dat het PAS in staat is onze natuurgebieden te beschermen. U vindt het ook onnodig om bij te houden hoeveel veehouderijen in Noord-Holland meer dan 10 ton ammoniak per jaar uitstoten, omdat u geen “geen aanleiding ziet om deze informatie te gaan bijhouden.” Dit vertrouwen in de werking van de huidige systemen is op zijn minst opmerkelijk te noemen, in het licht van de stapels aan bewijs dat fraude (of op zijn minst ‘onzorgvuldigheid’) schering en inslag is in de veehouderij en zelfregulering door de sector keer op keer faalt.2 Daarnaast blijkt dat de databastanden waar beleidsmakers mee moeten werken onjuist zijn.3

Zo laten onderzoeksjournalisten van De Groene Amsterdammer (in samenwerking met hun Europese collega’s) zien dat beleidsmakers hun beleid m.b.t. landbouw baseren op onjuist en onvolledige cijfers. Grote agrarische bedrijven (bedrijven die minstens 10 ton ammoniak per jaar uitstoten) zijn bijvoorbeeld verplicht om hun uitstoot van schadelijke stoffen aan Brussel te melden. In Nederland hebben 49 veeteeltbedrijven dat gedaan, terwijl er 34.000 veeteeltbedrijven zijn in Nederland, waaronder ruim achthonderd megastallen. Onderzoek van De Groene Amsterdammer laat zien dat die cijfers inderdaad niet kloppen. Met het rapporteren van de uitstoot van zwaveldioxide, stikstofdioxiden en methaan door veehouderijen is het nóg slechter gesteld. Het Europese Milieuagentschap werkt blijkbaar met volstrekt onjuiste gegevens, terwijl goede gegevens van groot belang zijn voor het bepalen van beleid.

Boeren stoten in werkelijkheid veel meer ammoniak uit dan blijkt uit de modellen waar de overheid van uitgaat. Ook het PAS is onbetrouwbaar zonder juiste gegevens. Het PAS modelleert voor 2030 een gemiddelde depositiedaling binnen dit Natura 2000-gebied van circa 150 mol/ha/jr als gevolg van met name verbeterde stal- en mestaanwendingstechnieken. Deze daling is geheel virtueel want bewezen moet nog worden of deze technieken ook werken en of alle boeren ze volgens de regels toepassen. Maar inmiddels is vastgesteld dat in de sector grootschalig wordt gefraudeerd met maatregelen als luchtwassers4 en mestboekhouding56 en dat technieken zoals luchtwassers niet goed werken7. In het PAS gemodelleerde dalende achtergronddepositie houdt hier echter geen rekening mee.
Verschillende onderzoekers hebben daarom ook verklaard dat het huidige beleid om de natuur te beschermen en in het bijzonder het PAS, gebaseerd is op een "mallotig systeem" met grote negatieve gevolgen voor het aantal planten- en diersoorten in Nederland. Zo blijkt o.a. uit een NOS-artikel van vorig jaar. Han van Dobben, die jarenlang onderzoek deed naar het effect van ammoniak op de natuur, vindt dat doorgaan met het huidige beleid onhoudbaar is: "Je moet wel heel optimistisch zijn om nog te geloven dat het goed gaat komen. En dan druk ik mij nog voorzichtig uit."8 Nog een megastal Intussen blijven er nieuwe megastallen in Noord-Holland komen. Zo exploiteert NN een veehouderij te Zuidschermer. Het bedrijf wil uitbreiden naar o.a. 442 melkkoeien (exclusief 125 jongvee individuen) en nieuwe stallen. Daarmee gaat het feitelijk om een megastal. Tevens heeft het bedrijf een aanvraag gedaan voor het realiseren van een mestvergister. Het bedrijf bevindt zich ruim binnen het gebied voor gecombineerde landbouw. Het bouwvlak is opgemeten op de plankaart van www.ruimtelijkeplannen.nl en dat komt uit op een breedte van circa 112 meter en een diepte van circa 184 meter. Dit komt neer op 20.608 m2. Dit is meer dan 2 ha.
Naar aanleiding van het bovenstaande legt de Partij voor de Dieren de volgende vragen aan u voor:

VRAGEN INCLUSIEF BEANTWOORDING:

INLEIDING BIJ BEANTWOORDING In Noord-Holland zijn voor zover ons bekend geen bedrijven die meer dan 10 ton ammoniak per jaar uitstoten. Het beeld dat door vragenstellers wordt geschetst over grootschalige fraude met luchtwassers en mestboekhouding in de veehouderij is niet een beeld dat wij herkennen in de veehouderij in Noord-Holland. Wij hebben vanuit de toezichthoudende en handhavende instanties daar geen signalen over ontvangen.
In hoeverre in de PAS rekening mag worden gehouden met prognoses op basis van wetenschappelijke modellen en trendanalyses, is een van de onderwerpen van de door de Raad van State gestelde prejudiciële vragen aan het Europees Hof van Jusitie. Het Hof zal hierover in het najaar van 2018 uitspraak doen, waarna de Raad van State, rekening houdend met de uitspraak van het Hof, uitspraak doet in de aangehouden beroepszaken. Tot die tijd baseren wij ons op de huidige PAS en het bijbehorende instrumentarium, zoals het rekenmodel AERIUS.

Vraag 1: Bent u het met ons eens dat, aangezien het bouwperceel groter is dan 2 ha, er sprake is van een overtreding van artikel 26 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening (de versie voor de laatste wijziging van 23 april 2018)?
Antwoord 1: Ja, de omvang van een agrarisch bouwperceel groter dan 2 ha is niet in lijn met de PRV (van 3 februari 2014).
De laatste versie van de PRV (vóór de wijziging van 23 april 2018) was niet van toepassing ten tijde van de vaststelling van het Bestemmingsplan Landelijk Gebied 2014 (vastgesteld op 30 september 2014). Op het moment van de vaststelling was de PRV van 3 februari 2014 van toepassing; vandaar dat deze vraag is beantwoord op basis van de PRV van 3 februari 2014.
Uit: PRV 3 februari 2014, Artikel 26 Gebieden voor grootschalige en gecombineerde landbouw
De omvang van het betreffende bedrijf is nagevraagd bij de gemeente Alkmaar en bedraagt iets minder dan 2,05 ha en is dus iets groter dan 2 ha.

Vraag 2: Het bestemmingsplan voorziet in de uitbreiding van dit bedrijf. Onderschrijft u dat het bestemmingsplan in dat geval strijdig is met de PRV?
Antwoord 2: Ja, het vigerende bestemmingsplan is niet in lijn met de PRV (van 3 februari 2014).
Het vigerende bestemmingsplan “Bestemmingsplan Landelijk Gebied 2014” (vastgesteld op 30 september 2014) staat uitbreiding onder voorwaarden toe (zie onderstaand kader). In de regels van het bestemmingsplan zijn bovendien geen maximale afmetingen opgenomen voor agrarische bouwpercelen. Op de verbeelding (plankaart) van het bestemmingsplan zijn wel maximale afmetingen opgenomen.

Vraag 3: In de destijds geldende PRV (en het bestemmingsplan) wordt aangegeven dat er een motivering nodig is als het bedrijf groter dan 1,5 ha is. Wij hebben gemeente Alkmaar om een dergelijke motivering gevraagd. Tot onze grote verbazing zegt de gemeente alleen dat het bouwvlak opgenomen is in het onherroepelijke bestemmingsplan van 2014 en dat de motivering niet meer te achterhalen is. Is u wel iets bekend over de motivering waardoor het bouwperceel in kwestie groter mag zijn dan 1,5 ha? Zo ja, wat is die motivering precies, zo nee, waarom is deze uitbreiding dan goedgekeurd?Antwoord 3: De gemeentelijke motivering is ons niet bekend. Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (1-7-2008) is geen provinciale goedkeuring van gemeentelijke bestemmingsplannen meer nodig.

Vraag 4: Welke maatregelen gaat u nemen nu blijkt dat de gemeente blijkbaar de regels uit de PRV aan haar laars heeft gelapt?
Antwoord 4: Het vigerende “Bestemmingsplan Landelijk Gebied 2014” is onherroepelijk (in rechte onaantastbaar). Dat hebben wij als een gegeven te beschouwen. Er is daarom geen grondslag voor zienswijzen of een reactieve aanwijzing. Wij zijn in gesprek met de gemeente Alkmaar over het in lijn brengen van het plan met de verordening en hebben dit per brief (21 juni 2018) bevestigd.

Vraag 5: Door de uitbreiding van het bedrijf gaat de emissie van NH3 van 2.709,75 kg/j naar 3.978,98 kg/j: een verschil van 1.269,23 kg/j. Bent u het met ons eens dat zulke emissieverhogingen niet passen bij de duurzaamheidsambitie van de provincie? Bent u het met ons eens dat zulke emissieverhogingen onverantwoord zijn nu ongeveer driekwart van het natuuroppervlak in Nederland te maken met een te hoge stikstofdepositie (PBL, 2017)?
Antwoord 5: Op beide vragen is het antwoord nee.

Vraag 6: Zijn de emissievergunningen van NN in lijn met de verkregen productierechten en toereikend voor het aantal dieren op het bedrijf?
Antwoord 6: Wij zijn niet het bevoegd gezag als het gaat om dierproductierechten (voor varkens en pluimvee) of fosfaatrechten (voor melkvee). Dat is de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl).

Vraag 7: Het bedrijf beweert grondgebonden te zijn, maar heeft ook een vergunning gekregen voor een monovergister. Welke criteria hanteert u voor het begrip grondgebondenheid en hoe past een mestvergister daarin?
Antwoord 7: Wij hanteren geen definitie van grondgebondenheid. In de aanvraag om een vergunning staat weliswaar een monovergister ingetekend, maar uit de aanvraag is niet op te maken dat daar ook vergunning voor is aangevraagd. De Regionale Uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord heeft dan ook geen vergunning voor de monovergister verleend. Overigens mag een mestvergister ook gebruikt worden voor mest die afkomstig is van buiten het eigen bedrijf.

Vraag 8: Hoeveel subsidie is er door de provincie in de afgelopen 10 jaar uitgegeven aan mestverwerkingsinstallaties en uit welk potje komen deze subsidies

Antwoord 8: Hieronder treft u de subsidiebedragen die zijn verstrekt voor de bouw en aanleg van mestverwerkingsinstallaties en biomassavergisters, waarin tevens mest wordt vergist.

Vraag 9: Hoe geschiedt toezicht en handhaving in relatie tot de ontwikkelingsruimte in het PAS precies? Hebben GS zicht op de resultaten van toezicht en handhaving?
Antwoord 9: Vanuit de Regionale Uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord worden er controles uitgevoerd op de naleving van de voorwaarden in de verleende vergunningen in het kader van de PAS. Deze controles kunnen willekeurig worden gekozen of naar aanleiding van een klacht of melding. Ons college wordt jaarlijks geïnformeerd over de uitgevoerde controles.

Vraag 10: In de beantwoording van onze vorige vragen over PAS geeft u aan dat in Noord-Holland voor enkele gebieden al meer dan 60% van de ontwikkelingsruimte vergeven is. Volgens de rechter is er dan het risico dat er nadelige en onomkeerbare gevolgen voor natuurgebieden ontstaan en waar daar sprake van is, zal daarom naar verwachting de PAS-vergunning worden geschorst. U geeft echter aan dat u geen maatregelen gaat nemen om de overschrijding in de betreffende gebieden aan te pakken, omdat volgens u “overschrijding van de 60%-grens niet betekent niet dat er nadelige en onomkeerbare negatieve effecten op de desbetreffende habitattypen zullen plaatsvinden.” Op welke feiten en veldmetingen baseert u zich? Bent u het oneens met de redenering van de rechter? Kunt u garanderen dat de overschrijdingen geen nadelige en onomkeerbare gevolgen voor de natuurgebieden zullen veroorzaken?
Antwoord 10: Wij baseren ons ecologisch oordeel op de jaarlijks geactualiseerde uitkomsten van AERIUS Monitor, alsmede op basis van de uitgevoerde veldbezoeken. Met het ecologisch oordeel is beoordeeld of met de toedeling van depositie- en ontwikkelingsruimte de instandhoudingsdoelstellingen voor de voor stikstof gevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten op termijn worden gehaald en/of behoud is geborgd. Daarnaast is beoordeeld of verslechtering van de kwaliteit van habitattypen of leefgebieden van soorten wordt voorkomen.
Nee, wij zijn het niet oneens met de redenering van de rechter.Nee, een absolute garantie kunnen we niet geven, maar door monitoring van en veldbezoeken aan de PAS-gebieden kunnen en zullen we, indien nodig, tijdig ingrijpen om onomkeerbare gevolgen te voorkomen.

Vraag 11: “Die effecten treden mogelijk op wanneer sprake is van een (naderende) overbelasting van stikstof (vanaf 70 mol/ha/jaar onder de kritische depositiewaarde). De grens voor (mogelijke of naderende) overbelasting ligt 70 mol onder de kritische depositiewaarde. Voor de onder antwoord 1 genoemde gebieden is daarvan nog geen sprake. Indien die grens toch bereikt wordt kunnen maatregelen worden ingezet om eventuele negatieve gevolgen te herstellen.” Hoe wordt precies bijgehouden of de genoemde grens bereikt is en hoe nauwkeurig is dat? Welke ‘maatregelen’ wilt u inzetten om de negatieve gevolgen te herstellen? Hoe weet u zeker dat deze maatregelen de negatieve gevolgen zullen kunnen herstellen en op welke bronnen baseert u zich?
Antwoord 11: Dit wordt berekend en bijgehouden met behulp van AERIUS Monitor. Deze Monitor laat kaartlagen zien, waarbij op het meest gedetailleerde zoomlevel de depositie is weergegeven per hexagon met een oppervlak van 1 hectare.
Daarnaast werken we door het uitvoeren van maatregelen in de gebieden aan het behoud en herstel van de beschermde Natura 2000-waarden. Wij weten dat deze maatregelen zullen werken omdat ze voortkomen uit landelijk vastgestelde herstelstrategieën. Deze strategieën zijn met de best beschikbare wetenschappelijke gegevens opgesteld en geven per beschermde waarde aan welke maatregelen kunnen bijdragen aan het behoud en herstel van die waarden. Daarnaast houden we, door onder andere veldbezoeken, de vinger aan de pols in de gebieden zodat we, indien nodig, kunnen en zullen bijsturen.

Vraag 12: De in het PAS gemodelleerde daling van de achtergronddepositie, waar de ontwikkelingsruimte op is gebaseerd, moet nog aangetoond worden. En dat is waar het volgens wetenschappers misgaat. Bedrijven mogen nog altijd groeien, terwijl van de prognoses tot dusver niet veel terechtgekomen is. In het artikel van de NOS zeggen wetenschappers: “Het is een mallotig systeem. Je neemt nu al een voorschot op de uitkomst van maatregelen waarvan je nog helemaal niet weet of die gaan werken. De prognoses gaan uit van een ideale wereld waarin iedereen zich aan de regels houdt.” Bent u het met de wetenschappers eens dat de in het PAS gemodelleerde daling van de achtergronddepositie nog echt aangetoond moet worden? Bent u bereid om het weggeven van meer vergunningen in het kader van PAS te stoppen, in ieder geval totdat het PAS zodanig is aangescherpt dat het een meer realistische prognose laat zien?
Antwoord 12: Nee, vooralsnog hebben wij geen redenen om te twijfelen aan de door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu gebruikte modellering in AERIUS.
Nee, zolang er ontwikkelingsruimte beschikbaar is kunnen wij vergunningen blijven verlenen.

Vraag 13: Ook de positieve effecten van herstelwerkzaamheden zijn slechts tijdelijk, zo stellen de wetenschappers: "Met het afvoeren van stikstofrijke grond voer je ook bodemleven en andere voedingstoffen af, die maar beperkt in de grond zitten. Je kunt dus niet onbeperkt grond blijven afvoeren, terwijl dat met de huidige uitstoot wel nodig zou zijn. Bovendien is het dweilen met de kraan open. Om de natuurgebieden te beschermen, moet het probleem aan de bron worden aangepakt. De intensivering van de landbouw moet een halt toe worden geroepen. We roepen al decennia lang dat het vijf voor twaalf is en dat het roer om moet. Maar het ontbreekt helaas aan de politieke wil.” Wat bent u voornemens te doen met de conclusies van deze wetenschappers? Zijn de GS bereid om het stikstofprobleem en de vernietiging van onze natuur bij de bron aan te pakken en de intensivering van de landbouw te stoppen? Zo nee, waarom niet en op welke actuele, wetenschappelijke bronnen baseert u zich? Antwoord 13: Wij hebben niet het voornemen onze huidige werkwijze aan te passen naar aanleiding van het door u geciteerde stuk. Reden hiervoor is dat van het afvoeren van stikstofrijke grond uitsluitend sprake is bij plag- en baggermaatregelen. Plaggen en baggeren zijn maar een klein deel van de uitgevoerde en in de planning staande maatregelen en middels het, in de tijd en ruimte, plannen van de maatregelen wordt ervoor gezorgd dat de eventuele negatieve effecten worden beperkt. In de gebiedsanalyses van alle individuele gebieden wordt op basis van de best beschikbare kennis geconcludeerd dat de huidige geplande maatregelen met de huidige en voorspelde stikstofdepositie voldoende zijn om de Natura-2000 doelen te behalen.
Nee, dat ligt niet in onze bevoegdheid. Zie ook ons antwoord op vraag 22.

Vraag 14: U vindt het ook onnodig om bij te houden hoeveel veehouderijen in Noord-Holland meer dan 10 ton ammoniak per jaar uitstoten, omdat u “geen aanleiding ziet om deze informatie te gaan bijhouden” en omdat u “geen aanwijzingen of informatie heeft dat er in Noord-Holland bedrijven zijn die hun administratie in het kader van de mestboekhouding niet op orde hebben of daarmee frauderen.” In het licht van de in de inleiding aangehaalde onderzoeken over onjuiste databestanden en de alomtegenwoordige fraude in de vee-industrie, welke “aanwijzingen of informatie” heeft u dat het in Noord-Holland toevallig wél goed gaat?
Antwoord 14: Uit onderzoek van de RUD Noord-Holland Noord blijkt dat er in Noord-Holland geen agrarische bedrijven zijn die meer dan 10 ton stikstofdepositie per jaar vergund hebben gekregen.

Vraag 15: Waarom houdt bijvoorbeeld onze buurprovincie Utrecht wel de uitstoot van de mega-uitstoters (minstens 10 ton ammoniak per jaar) bij en stelt zij de gegevens zelfs beschikbaar in een online database?
Antwoord 15: Navraag bij de provincie Utrecht leert dat de provincie de uitstootgegevens niet bijhoudt en niet bekend is met een online database met bedrijven die meer dan 10 ton ammoniak uitstoten.
Vraag 16: Bent u het, na het lezen van het artikel van de Groene Amsterdammer, met ons eens dat er in Nederland sprake is van een gebrekkige dataverzameling en rapportage over de mega-uitstoters in de vee-industrie? En dat daardoor een groot deel van de ammoniakvervuiling door de sector niet mee kan worden genomen in het bepalen van beleid?
Antwoord 16: Op beide vragen is het antwoord nee.

Vraag 17: Welke invloed zou een gebrekkige dataverzameling en rapportage kunnen hebben op het functioneren en de voorspellingen van het PAS en op welke manier is daar rekening mee gehouden?
Antwoord 17: Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu maakt voor de berekening van de depositieruimte gebruik van gedetailleerde brongegevens. Deze depositieberekening kent een onzekerheid die inherent is aan het gebruik van luchtverspreiding- en depositiemodellering en een onzekerheid in de invoergegevens. Door deze onzekerheden zal een deel van de berekende deposities in werkelijkheid lager uitvallen en een deel van de berekende deposities juist hoger, waardoor sprake is van middeling.

Vraag 18: U geeft aan niet voornemens te zijn om het aantal mega-uitstoters in Noord-Holland bij te gaan houden. Het artikel van De Groene Amsterdammer toont echter aan waarom zo’n goed onderhouden provinciale databank juist wél cruciaal is. Volgens Frits van der Schans van clm, een adviesbureau op het gebied van landbouw en natuur, leggen sommige provincies daar onvoldoende prioriteit bij en zijn vele databases in de provincies niet op orde: “En als je met vervuilde bestanden werkt, is het erg lastig om de juiste data via het rivm naar Europa te krijgen. Onjuiste databestanden bemoeilijken ook de handhaving en wat betreft handhaving hebben we in Europa al een slechte naam.” In het licht van het bovenstaande: bent u het met ons eens dat het erg belangrijk is – ongeacht of de provincie wel of geen aanwijzingen voor fraude heeft – om de juiste data over mega-uitstoters in de vee-industrie in elke provincie bij te houden? Gaat u het in de Groene Amsterdammer beschreven probleem van dataverzameling en rapportage bespreken binnen IPO? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 18: Het is aan het RIVM (AERIUS) en het CBS (CBS-Landbouwtelling en de dierregistraties in het kader van I&R (Identificatie en Registratie) om de juiste gegevens bij te houden
Nee, de individuele provincies bepalen zelf of zij het nodig achten om deze gegevens bij te houden.

Vraag 19: Bent u bereid om in de toekomst, naar voorbeeld van Utrecht, o.a. bij te gaan houden hoeveel veehouderijen in Noord-Holland meer dan 10 ton ammoniak per jaar uitstoten en alle (zorgvuldig verzamelde) gegevens in een online database te gaan zetten? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 19: Nee, zoals in antwoord 15 is aangegeven houdt de provincie Utrecht de gegevens niet bij en hebben bovendien in Noord-Holland geen bedrijven die meer dan 10 ton ammoniak uitstoten

Vraag 20: Hoeveel intensieve veebedrijven zijn er op het grondgebied van provincie Noord-Holland en hoe heeft dat aantal zich in de afgelopen 10 jaar ontwikkeld?

Antwoord 20:
Aantal hokdierbedrijven (bron: CBS Statline) 2007 2017
Varkens 59 31
Pluimvee 63 50
Konijnen - -
Vleeskalveren 108 16
Pelsdieren - -
Overig kleinvee - -
In onze Provinciale Ruimtelijke Verordening staat ‘intensieve veehouderij’ omschreven als ‘een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf dat zelfstandig of als neventak, geheel of grotendeels in gebouwen, varkens, pluimvee, konijnen, vleeskalveren, pelsdieren of overig kleinvee houdt, met uitzondering van het biologisch houden van dieren conform de Landbouwkwaliteitswet, het kweken van vissen het houden van melkvee en overig rundvee, geiten, schapen of paarden.’

Vraag 21: Hoeveel (melk)veebedrijven zijn er op het grondgebied van provincie Noord-Holland met meer dan 250 melkkoeien, 2500 vleeskalveren, 1200 fokvarkens, 7500 vleesvarkens, 120000 leghennen en/of 220000 vleeskuikens en hoe heeft dat aantal bedrijven zich in de afgelopen 10 jaar ontwikkeld?

Antwoord 21:

Aantallen bedrijven met dieren boven de grens (bron: CBS Statline)
2007 2017
> 250 melkkoeien 5 20*

> 2500 vleeskalveren 0 0
> 1200 fokvarkens 0 0
> 7500 vleesvarkens 0 0
> 120000 leghennen 0 0
> 220000 vleeskuikens 0 0

* Dit betreft 2% van de melkveebedrijven in Noord-Holland (aantal bedrijven: 1.021). De stijging wordt met name veroorzaakt door het afschaffen van de melkquota per 1 april 2015.

Vraag 22: Onderkent u dat uitbreiding van de veestapel, intensivering en schaalvergroting in de veehouderij heeft bijgedragen aan een afname van de biodiversiteit, het uitsterven van weidevogels en de vervuiling van het milieu? Zo nee, op welke bronnen baseert u zich? Zo ja, welke conclusies verbindt u daaraan?
Antwoord 22: Elke activiteit heeft invloed op andere functies. Zoals ook aangegeven in de beantwoording van Statenvragen 2016, nr. 94 belast de voedselproductie, net als andere economische sectoren, het milieu. Wel streven wij er naar om deze belasting te beperken. Uit onder meer berichtgeving van CBS over weidevogels blijkt dat de wijze van landbouwvoering effect heeft op de biodiversiteit en weidevogelpopulaties. Ook andere factoren spelen een rol, zoals versnippering van natuurgebieden, bebouwing en deposities uit het buitenland (stikstof), maar ook uitbreiding van predatoren zoals vossen, hebben invloed. De agrarische sector en overheid investeren fors in verduurzaming van bedrijven en innovatie en onderzoek naar de mogelijkheden om de negatieve effecten van de landbouw op milieu, water en biodiversiteit verder te verminderen. Bijvoorbeeld door stimulering van biologische landbouwmethoden, investeringen in de verbetering van het weidevogelbeheer en terugdringing van emissies. Zo hebben wij Provinciale Staten onlangs een voorstel doen toekomen om te starten met een programma Natuurinclusieve Landbouw. De PAS-partners (Rijk en IPO) zijn bezig met een onderzoek naar o.a. de mogelijkheid om duurzaamheidseisen (beperking stikstofuitstoot) voor te schrijven in het kader van de Wet natuurbescherming. De provincie gaat niet over de omvang van de veestapel. Onze invloed op de landelijke milieunormstelling is beperkt.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer