Vragen over nieuwe mega­stallen Noord-Holland


Aan de leden van Provinciale Staten van Noord-Holland

Haarlem, 13 maart 2015

Vragen nr. 17

Vragen van de heer A.E. van Liere MA, MSc. (Partij voor de Dieren) over nieuwe megastallen in Noord-Holland

De voorzitter van Provinciale Staten van Noord-Holland deelt u overeenkomstig het bepaalde in artikel 45 van het Reglement van Orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van Provinciale Staten mede, dat op 13 maart 2015 door het lid van Provinciale Staten, de heer A.E. van Liere MA, MSc. (Partij voor de Dieren), de volgende vragen bij Gedeputeerde Staten zijn ingekomen.

Inleiding:

Als gevolg van het loslaten van de melkquota per 1 april 2015 breiden melkveebedrijven enorm uit in aantal koeien, verrijzen nieuwe grote stallen in het landschap en verdwijnt de koe uit de wei.

In Noord-Holland wil het bedrijf Klaver Koe in Winkel (gemeente Hollands Kroon) uitbreiden naar 745 melkkoeien en 103 stuks jongvee, de firma Rooker in Aartswoud (gemeente Opmeer) heeft plannen voor uitbreiding naar 304 melkkoeien en 205 stuks jongvee en het bedrijf Schouten-Koopman in Middenmeer (gemeente Hollands Kroon) wil 434 melkkoeien en 270 stuks jongvee gaan houden. En dat lijkt met het grote aantal aanvragen voor Natuurbeschermingswet-vergunningen nog maar het topje van de ijsberg.

Daarnaast komt er een megastalcomplex met 916.666 vleeskuikens (plofkippen) in Middenmeer.

Vragen:

Bij brief van 19 december 2014 heeft u Provinciale Staten geïnformeerd over uw besluit over de actualisatie van de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) en beleidsvoornemens landbouw. Als beleidsvoornemen noemt u:

“Bij uitbreiding boven de maximale grenzen voor een bouwblok, de eis van een bedrijfsplan te vervangen door een onderbouwde motivering te eisen, waaruit de noodzaak blijkt tot uitbreiding voor het primaire productieproces, dan wel voor verbrede landbouwactiviteiten gelieerd aan het primaire productieproces.

Toelichting: in de praktijk heeft de provincie geen mogelijkheden om daadwerkelijk een oordeel te vellen over het bedrijfsplan.”

1. Kunt u aangeven wat het doel en de consequentie is van het vervangen van de eis van “een bedrijfsplan” door “een onderbouwde motivering”?

2. Welke criteria gaat u hanteren om te toetsen of de uitbreiding noodzakelijk is voor het primaire productieproces of verbrede landbouwactiviteiten gelieerd aan het primaire productieproces?

3. Welke weging per criteria in de onderbouwde motivering gaat u hanteren om te toetsen of de uitbreiding noodzakelijk is voor het primaire productieproces of verbrede landbouwactiviteiten gelieerd aan het primaire productieproces?

4. Hoe ziet de totale afweging er vervolgens uit om te toetsen of de uitbreiding noodzakelijk is voor het primaire productieproces of verbrede landbouwactiviteiten gelieerd aan het primaire productieproces?

5. In de praktijk kan het college geen oordeel vellen over het “bedrijfsplan” over de noodzaak voor uitbreidingen van landbouwbedrijven boven de in de PRV vastgestelde maximale grens voor een bouwblok. Hoe heeft het college uitvoering gegeven aan de toets op het bedrijfsplan? Kunt u een lijst geven van uitbreidingen waarvoor een bedrijfsplan moest worden ingeleverd, maar die niet kon worden getoetst?

Het bedrijf Klaver Koe wil uitbreiden naar 745 melkkoeien en 103 stuks jongvee. “Voor de uitbreiding is een (postzegel)bestemmingsplan opgesteld dat ziet op een bestemmingsvlak (‘agrarisch bedrijf’) van 4,5 hectare groot waarbinnen een bouwvlak van ongeveer 3 hectare groot is gelegen.”

6. Hoe beoordeelt het college de noodzaak tot deze uitbreiding? Toetst het college het bedrijfsplan of een onderbouwde motivering?

7. Vindt alle bebouwing plaats op het bouwvlak? Zo ja, kunt u dit met een tekening illustreren?

Voor het bedrijf Schouten heeft de provincie een Natuurbeschermingswetvergunning verleend. Het college was op dat moment niet op de hoogte van de grootte van het bouwperceel.

8. De oppervlakte van het bouwvlak is relevant voor de PRV, en een bedrijf met 434 melkkoeien en 270 stuks jongvee is een indicatie dat het bouwvlak groter dan 2 hectare kan zijn. Waarom heeft het college niet geïnformeerd naar de grootte van het bouwvlak van deze megastal?

9. Hoe toetst de provincie op systematische wijze uitbreidingen van veehouderijen op mogelijke overschrijding van de maximale oppervlakte van het bouwvlak zoals is vastgesteld in de PRV?

10. De afdeling die gaat over de Natuurbeschermingswet heeft kennelijk geen contact met de afdeling die gaat over de PRV. Waarom vindt er binnen de provincie geen integrale toetsing van een aanvraag plaats?

De firma Rooker in Aartswoud wil uitbreiden naar 304 melkkoeien en 205 stuks jongvee. Zie http://www.opmeer.nl/wonen-en-leven/afwijkingsbesluit_42977/item/schoolstraat-58-te-aartswoud_24781.html

11. Past dit bedrijf binnen een 2 hectare bouwvlak? Kunt u dit aan de hand van een duidelijke tekening aantonen?

Tijdens een bijeenkomst van de NMV in Wadway (Noord-Holland) leek gedeputeerde J. Bond te bevestigen dat 200 aanvragen voor uitbreidingen van melkveehouderijen in Noord-Holland bij de provincie liggen te wachten op behandeling. Dit in afwachting van duidelijkheid over ontwikkelingsruimte voor de landbouw in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) en het loslaten van de melkquota volgende maand.

12. Kunt u ons de lijst van aanvragen toesturen? Om hoeveel extra dieren gaat het? Hoeveel megastallen staan er op deze lijst (Bedrijven groter dan 300 NGE)?

13. Bent u bereid om via ruimtelijk beleid nieuwe megastallen te verbieden? Zo nee, waarom niet?

14. Bent u bereid om weidegang voor koeien verplicht te stellen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer start u daarmee, en welke concrete maatregelen zet u daarvoor in?

In Middenmeer komen twee megastallen naast elkaar met gezamenlijk 916.666 vleeskuikens. Dit was oorspronkelijk bedoeld als één bedrijf (Meerkip en Het Kippenhok). Dit complex wordt daarmee meer dan vier keer zo groot dan de grens waarboven sprake is van een megastal. Het eerste gedeelte hiervan is al gerealiseerd en wordt binnenkort gevuld met de eerste kuikens. De kippen zitten opeengestapeld met circa twintig kippen op een vierkante meter, vijf etages hoog op lopende banden. Elke zes weken worden de lopende banden afgedraaid richting kratten en de slachterij. Gezamenlijk zou dit het grootste vleeskuikenbedrijf van Nederland worden.

15. Hoe beoordeelt het college de noodzaak tot deze uitbreiding?

16. Gaat het hier om toetsing van het bedrijfsplan of om toetsing van een onderbouwde motivering?

17. Hoe oordeelt u over de gezondheidsrisico’s voor omwonenden van stallen en de volksgezondheid met zulke grote hoeveelheden dieren, indachtig het RIVM-rapport ‘Mogelijke effecten van intensieve veehouderij op de gezondheid van omwonenden: onderzoek naar potentiele blootstelling en gezondheidsproblemen’, IRAS (Institute for Risk Assessment Sciences), 2011 ?

18. Bent u voornemens een zienswijze in te dienen tegen ‘Het Kippenhok’? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke punten?

Gedeputeerde Staten zullen de gestelde vragen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 30 dagen na binnenkomst, beantwoorden.

Antwoorddatum: 1 jan. 1970

Ons antwoord aan Provinciale Staten luidt als volgt:

Vraag 1:

Kunt u aangeven wat het doel en de consequentie is van het vervangen van de eis van “een bedrijfsplan” door “een onderbouwde motivering”?

Antwoord 1:

Een bedrijfsplan bevat een financiële onderbouwing voor de uitbreiding van een bedrijf. Gelet op het feit dat de PRV gaat over ruimtelijke aspecten van bestemmingsplannen, hebben wij voorgesteld om de noodzaak tot uitbreiding van het bedrijf niet slechts te beoordelen aan het financiële aspect, maar op de afweging tussen de economische belangen enerzijds en de ruimtelijke belangen anderzijds. Deze wijziging geeft gemeenten meer mogelijkheden om te motiveren dat een uitbreiding vanuit economisch en ruimtelijk opzicht nodig is. Een bedrijfsplan kan een onderdeel zijn van die motivering. Een motiveringsvereiste voor een bestemmingsplan komt vaker voor in de Wro en de daarop gebaseerde regelgeving.

Vraag 2:

Welke criteria gaat u hanteren om te toetsen of de uitbreiding noodzakelijk is voor het primaire productieproces of verbrede landbouwactiviteiten gelieerd aan het primaire productieproces?

Antwoord 2:

De gemeenten dienen bij hun ruimtelijke plannen waarbij de omvang van agrarische bouwpercelen groter wordt dan 1,5 respectievelijk 2 hectare, te motiveren dat de uitbreiding

nodig is voor een toekomstbestendig bedrijf. Wij zullen daarvoor maatwerk leveren en per casus zorgvuldig bekijken of de geleverde motivering de vraag tot uitbreiding kan dragen. In de motivering kunnen ruimtelijke, financiële en bedrijfsmatige aspecten een rol spelen. Nauwere criteria doen geen recht aan de individuele gevallen en bijbehorende wens tot maatwerk.

Vraag 3:

Welke weging per criteria in de onderbouwde motivering gaat u hanteren om te toetsen of de uitbreiding noodzakelijk is voor het primaire productieproces of verbrede landbouwactiviteiten gelieerd aan het primaire productieproces?

Antwoord 3:

Zie beantwoording vraag 2

Vraag 4:

Hoe ziet de totale afweging er vervolgens uit om te toetsen of de uitbreiding noodzakelijk is voor het primaire productieproces of verbrede landbouwactiviteiten gelieerd aan het primaire productieproces?

Antwoord 4:

Zie beantwoording vraag 2

Vraag 5:

In de praktijk kan het college geen oordeel vellen over het “bedrijfsplan” over de noodzaak voor uitbreidingen van landbouwbedrijven boven de in de PRV vastgestelde maximale grens voor een bouwblok. Hoe heeft het college uitvoering gegeven aan de toets op het bedrijfsplan? Kunt u een lijst geven van uitbreidingen waarvoor een bedrijfsplan moest worden ingeleverd, maar die niet kon worden getoetst?

Antwoord 5:

Conform antwoord 1 hebben wij besloten dat een bedrijfsplan te weinig ruimte geeft aan gemeenten om goed te kunnen motiveren dat een uitbreiding van het bouwperceel nodig is, omdat er meer redenen dan financiële kunnen zijn om uit te breiden.

Tot op heden hebben wij twee aanvragen gehad die de maximale bouwperceelgrenzen uit de PRV overschrijden, dat is het dossier Melkveebedrijf Klaver Koe en het Bollenbroeibedrijf Van der Peet. Het eerste dossier is uitgebreid besproken in de Statencommissie Ruimte en Milieu van 7 februari en 5 september 2011, inclusief het overlegde bedrijfsplan. Dit bedrijfsplan is wel beoordeeld. Hieruit kon de financiële conclusie worden getrokken dat de uitbreiding financieel mogelijk en nodig was. Naar aanleiding van de aanvraag van het bollenbroeibedrijf Van der Peet hebben wij in onze vergadering van 2 december 2014 de prealabele vraag positief beantwoord. PS zijn hierover geïnformeerd door middel van een brief van 4 december 2014.

Vraag 6:

Het bedrijf Klaver Koe wil uitbreiden naar 745 melkkoeien en 103 stuks jongvee. “Voor de uitbreiding is een (postzegel)bestemmingsplan opgesteld dat ziet op een bestemmingsvlak (‘agrarisch bedrijf’) van 4,5 hectare groot waarbinnen een bouwvlak van ongeveer 3 hectare groot is gelegen.”

Hoe beoordeelt het college de noodzaak tot deze uitbreiding? Toetst het college het bedrijfsplan of een onderbouwde motivering?

Antwoord 6:

Zie beantwoording vraag 5. Wij hebben, gehoord de commissie Ruimte en Milieu van 5 september 2011, op 13 september 2011 aan burgemeester en wethouders van voormalig gemeente Niedorp ontheffing verleend voor de uitbreiding van het bouwperceel tot 4,5 hectare. Bij dit besluit is, na overleg met de commissie, reeds een beoordeling gemaakt ten aanzien van de noodzaak en de ruimtelijke kwaliteit. Bij deze beoordeling is uitgegaan van de op dat moment geldende PRV, dus op basis van een bedrijfsplan.

Het inmiddels door de gemeenteraad vastgestelde bestemmingsplan voor deze uitbreiding wijkt niet af van het plan waarvoor in 2011 ontheffing is verleend.

Vraag 7:

Vindt alle bebouwing plaats op het bouwvlak? Zo ja, kunt u dit met een tekening illustreren?

Antwoord 7:

Ja, zie beantwoording vraag 6. Informatie over de plannen kunt u vinden op www.ruimtelijkeplannen.nl door adresgegevens van het bedrijf in te voeren.

Vraag 8:

Voor het bedrijf Schouten heeft de provincie een Natuurbeschermingswetvergunning verleend. Het college was op dat moment niet op de hoogte van de grootte van het bouwperceel.

De oppervlakte van het bouwvlak is relevant voor de PRV, en een bedrijf met 434 melkkoeien en 270 stuks jongvee is een indicatie dat het bouwvlak groter dan 2 hectare kan zijn. Waarom heeft het college niet geïnformeerd naar de grootte van het bouwvlak van deze megastal?

Antwoord 8:

In dit geval is alleen nog een NBwet-vergunning aangevraagd. Er is pas aanleiding om een ontwikkeling ruimtelijk te beoordelen als er ook sprake is van een ruimtelijk plan op die locatie bij de gemeente. Aangezien het bedrijf buiten Natura 2000 gebied ligt is bij deze NBwet-vergunning met name de emissie van stikstof bepalend en niet zozeer de omvang van het bouwperceel.

Vraag 9:

Hoe toetst de provincie op systematische wijze uitbreidingen van veehouderijen op mogelijke overschrijding van de maximale oppervlakte van het bouwvlak zoals is vastgesteld in de PRV?

Antwoord 9:

De provincie beoordeelt of bestemmingsplannen voldoen aan de regels uit de PRV. Bestemmingsplannen die voorzien in uitbreiding van een agrarisch bedrijf boven de resp. 1,5 en 2 ha moeten aan voorwaarden voldoen, hoe en of dat zo is bekijkt de provincie. Of het bedrijf een veehouderij of een akkerbouwer is, maakt vanuit deze ruimtelijke kaders niet uit. De PRV beperkt uitbreidingen die niet of weinig met het primaire productieproces te maken hebben, zij beperkt niet specifieke bedrijfstakken.

Vraag 10:

De afdeling die gaat over de Natuurbeschermingswet heeft kennelijk geen contact met de afdeling die gaat over de PRV. Waarom vindt er binnen de provincie geen integrale toetsing van een aanvraag plaats?

Antwoord 10:

Zie beantwoording vraag 8. De besluitprocedures voor de Natuurbeschermingswetvergunning en de PRV vinden opeenvolgend plaats. De afdelingen staan hierover met elkaar in contact.

Vraag 11:

De firma Rooker in Aartswoud wil uitbreiden naar 304 melkkoeien en 205 stuks jongvee. Zie http://www.opmeer.nl/wonen-en-leven/afwijkingsbesluit_42977/item/schoolstraat-58-te-aartswoud_24781.html

Past dit bedrijf binnen een 2 hectare bouwvlak? Kunt u dit aan de hand van een duidelijke tekening aantonen?

Antwoord 11:

In december 2014 heeft u technische vragen gesteld over deze casus en hebben wij uw vragen als volgt beantwoord: Voor de firma Rooker heeft de gemeente een omgevingsvergunning verleend. Wij hebben tegen deze omgevingsvergunning geen zienswijze ingediend omdat de uitbreiding van het melkveebedrijf volledig in lijn is met de PRV. Het bouwperceel blijft binnen de maximale toegestane grens van 2 hectare en er wordt voldaan aan de eisen aan ruimtelijke kwaliteit uit artikel 15.

Vraag 12:

Tijdens een bijeenkomst van de NMV in Wadway (Noord-Holland) leek gedeputeerde J. Bond te bevestigen dat 200 aanvragen voor uitbreidingen van melkveehouderijen in Noord-Holland bij de provincie liggen te wachten op behandeling. Dit in afwachting van duidelijkheid over ontwikkelingsruimte voor de landbouw in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) en het loslaten van de melkquota volgende maand.

Kunt u ons de lijst van aanvragen toesturen? Om hoeveel extra dieren gaat het? Hoeveel megastallen staan er op deze lijst (Bedrijven groter dan 300 NGE)?

Antwoord 12:

Er zijn 84 Natuurbeschermingswetaanvragen gedaan voor een uitbreiding van agrarische bedrijven in 2014, waarover nog een beslissing moet worden genomen. Daarvan zijn er 16 aanvragen gedaan voor een uitbreiding van een melkveebedrijf waarbij, indien vergund, het bedrijf groter zal zijn dan 300 NGE. Deze aanvragen zijn nog in behandeling en niet definitief vergund. Of deze bedrijven qua oppervlak boven de maximaal toegestane bouwblokgrootte komen, is, zoals gesteld in antwoord 8, geen onderdeel van een Natuurbeschermingswetaanvraag.

De lijst van aanvragen sturen wij u hierbij toe.

Vraag 13:

Bent u bereid om via ruimtelijk beleid nieuwe megastallen te verbieden? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 13:

Nee. De PRV kent geen definitie van de term ‘megastal’ aangezien de term arbitrair is en geen wettelijke basis heeft. Megastal lijkt te slaan op het aantal dieren, terwijl de PRV aan de omvang van het bouwperceel regels en voorwaarden stelt, onafhankelijk van het aantal dieren. De PRV kent wel een definitie van de term ‘intensieve veehouderij’. Zoals bekend is de nieuwvestiging van intensieve veehouderijen in ons ruimtelijk beleid niet toegestaan.

Vraag 14:

Bent u bereid om weidegang voor koeien verplicht te stellen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer start u daarmee, en welke concrete maatregelen zet u daarvoor in?

Antwoord 14:

Nee. Voor verplichte weidegang ontbreekt het wettelijk instrumentarium op provinciaal niveau. In Noord-Holland zijn er nog relatief veel melkveebedrijven (meer dan 90%) met weidegang. Stimulansen om weidegang te behouden, komen deels uit de markt. De zuivelsector heeft instrumenten, zoals weidepremie, in handen om weidegang te bevorderen. In Noord-Holland stimuleert bijvoorbeeld Cono Kaasmakers haar melkveehouders. Een goede kavelstructuur levert hier ook een bijdrage aan.

Vraag 15:

In Middenmeer komen twee megastallen naast elkaar met gezamenlijk 916.666 vleeskuikens. Dit was oorspronkelijk bedoeld als één bedrijf (Meerkip en Het Kippenhok). Dit complex wordt daarmee meer dan vier keer zo groot dan de grens waarboven sprake is van een megastal. Het eerste gedeelte hiervan is al gerealiseerd en wordt binnenkort gevuld met de eerste kuikens. De kippen zitten opeengestapeld met circa twintig kippen op een vierkante meter, vijf etages hoog op lopende banden. Elke zes weken worden de lopende banden afgedraaid richting kratten en de slachterij. Gezamenlijk zou dit het grootste vleeskuikenbedrijf van Nederland worden.

Hoe beoordeelt het college de noodzaak tot deze uitbreiding?

Antwoord 15:

Onderhavige casus is tevens aan de orde geweest in diverse commissievergaderingen van de staten. Het bedrijf Meerkip waarop u doelt, is een bestaand intensief bedrijf. Bestaande intensieve bedrijven mogen onder strikte voorwaarden uitbreiden.

Vraag 16:

Gaat het hier om toetsing van het bedrijfsplan of om toetsing van een onderbouwde motivering?

Antwoord 16:

Het gaat om een toetsing bedrijfsplan conform de regels uit de op dat moment geldende PRV.

Vraag 17:

Hoe oordeelt u over de gezondheidsrisico’s voor omwonenden van stallen en de volksgezondheid met zulke grote hoeveelheden dieren, indachtig het RIVM-rapport ‘Mogelijke effecten van intensieve veehouderij op de gezondheid van omwonenden: onderzoek naar potentiele blootstelling en gezondheidsproblemen’, IRAS (Institute for Risk Assessment Sciences), 2011?

Antwoord 17:

Uit de eerste verkenning bleek dat omwonenden van intensieve-veehouderijbedrijven potentieel zijn blootgesteld aan fijnstof, aan een aantal specifieke micro-organismen en aan endotoxinen. Deze blootstellingen kunnen effecten geven op de gezondheid, met name op de luchtwegen, vooral als het gaat om meerdere bedrijven op een locatie. . Uit de resultaten van dit onderzoek kan niet simpelweg worden geconcludeerd om welke afstand tot bedrijven het nu precies gaat en bij welke concentraties gezondheidseffecten optreden. Daarbij zijn er ook grote verschillen tussen de gebieden in Nederland waardoor er ook sprake kan zijn van maatwerk.

Door de inherente beperkingen van het genoemde onderzoek is een precieze uitspraak over de directe relatie tussen nabijheid van intensieve veehouderij, vooral met betrekking tot het type bedrijf, en effecten op de gezondheid vaak niet mogelijk. Het RIVM heeft vanaf 2014 vervolg gegeven aan het onderzoek naar de gezondheidseffecten van de intensieve veehouderij (onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO)). Het complete onderzoek is pas in 2016 afgerond.

Het rijk komt op basis hiervan mogelijk met regelgeving die het voor provincies en gemeenten mogelijk maakt om - indien nodig - in bepaalde gebieden uit het oogpunt van volksgezondheid grenzen te stellen aan de omvang van de veehouderij.

Met gezondheidsrisico’s dient zeer zorgvuldig te worden omgegaan. De locatiekeuze van nieuwe of verplaatsende veehouderijen speelt hierin mogelijk een rol. Tot het moment dat de onderzoeksresultaten van het onderzoek VGO bekend zijn gemaakt en bijbehorende regelgeving is opgesteld, kunnen wij echter geen eisen aan een locatiekeuze stellen uit het oogpunt van de volksgezondheid.

Met betrekking tot de uitbreiding van Meerkip is overigens gekozen voor verplaatsing naar een locatie waar de overlast en/of gezondheidsrisico’s minder groot zijn dan op de oorspronkelijke locatie (verder van kern Middenmeer en minder woonbebouwing in nabije omgeving).

Vraag 18:

Bent u voornemens een zienswijze in te dienen tegen ‘Het Kippenhok’? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke punten?

Antwoord 18:

Nee. Zie beantwoording vraag 15.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer