Vragen over natuur­schade door de program­ma­tische aanpak stikstof (PAS)


23-4-2018

Vraag 1: Is in Noord-Holland voor een gebied meer dan 60% van de ontwikkelruimte vergeven? Zo ja, om welke gebieden gaat het, hoeveel vergunningen zijn verleend en voor hoeveel daarvan is schorsing aangevraagd?

Antwoord 1: Ja. In de gebieden Duinen en Lage land Texel zijn drie hexagonen waarop meer dan 60% Segment 2 ontwikkelingsruimte is uitgegeven (resp. 61%, 62% en 71%). In het gebied Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder is op één hexagoon meer dan 60% uitgegeven, te weten 68%.

Het is niet mogelijk om aan te geven hoeveel vergunningen in zijn algemeenheid zijn verleend. Alle provincies halen ontwikkelingsruimte uit segment 2, het betreft één landelijke pot. Het is niet na te gaan welke vergunningen landelijk gezien invloed hebben op de gebieden Duinen en Lage Land Texel en Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder.

In Noord-Holland lopen 17 beroepsprocedures bij de Rechtbank Noord Nederland en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In één zaak is om schorsing verzocht.

Vraag 2: Indien vergunningen zijn verleend ontstaat volgens de uitspraak het risico dat er nadelige en onomkeerbare gevolgen voor natuurgebieden ontstaan. Wat gaat u hieraan doen?

Antwoord 2: Vooralsnog niets. Een tijdelijke overschrijding van de 60%-grens betekent niet dat er nadelige en onomkeerbare negatieve effecten op de desbetreffende habitattypen zullen plaatsvinden. Die effecten treden mogelijk op wanneer sprake is van een (naderende) overbelasting van stikstof (vanaf 70 mol/ha/jaar onder de kritische depositiewaarde). De grens voor (mogelijke of naderende) overbelasting ligt 70 mol onder de kritische depositiewaarde. Voor de onder antwoord 1 genoemde gebieden is daarvan nog geen sprake. Indien die grens toch bereikt wordt kunnen maatregelen worden ingezet om eventuele negatieve gevolgen te herstellen.

In ieder geval zullen voor aanvragen die betrekking hebben op segment 2 en op één van de hexagonen waar de ontwikkelingsruimte voor de eerste helft van deze PAS periode is benut, geen vergunningen meer verleend kunnen worden.

Vraag 3: Kunt u een actueel overzicht geven van de vergeven ontwikkelingsruimte in de Noord-Hollandse gebieden en hoe dit zich verhoudt tot de vergeven stikstofdepositie in het kader van de autonome ontwikkelingen?

Antwoord 3

Schermopname 51

De ontwikkelingsruimte is het zichtjaar (2015) minus de autonome ontwikkeling(2021). Bovenstaand schema geeft deze verhouding weer voor de eerste helft van de huidige PAS-periode (60% uitgifte OR) (Bron: Aerius Register).

Vraag 4: Constateert u ook dat er – nu het nog kan- veel uitbreidingen worden aangevraagd, vanwege het risico dat het Europees Hof de PAS gaat afkeuren?

Antwoord 4: Nee. Vanaf het moment dat de Raad van State prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Europese Hof heeft er in Noord-Holland geen stijging van het aantal vergunningaanvragen voor uitbreidingen plaatsgevonden.

Vraag 5: Ligt er een scenario klaar voor wanneer de PAS in deze vorm juridisch niet houdbaar blijkt of gaat u dan heel verbaasd reageren dat u dit niet zag aankomen?

Antwoord 5: De gezamenlijke PAS-partners (provincies en de ministeries van LNV en I&W) voeren op dit moment een verkenning uit naar de mogelijke directe gevolgen van een negatieve uitspraak over het PAS voor de voortzetting van het PAS en voor reeds genomen toestemmingsbesluiten en gedane meldingen.

Vraag 6: Houdt de provincie bij of er Noord-Hollandse veehouderijen zijn die meer dan tien ton ammoniak per jaar uitstoten? Zo ja, kunt u deze gegevens openbaar maken? Zo nee, overweegt u deze informatie te gaan bijhouden en kunt u deze weigering toelichten in het licht van de bestaande gaten in de administratie van Nederlandse grootuitstoters en het belang van een correcte administratie om juist en effectief beleid op te baseren?

Antwoord 6: Nee. Wij zien ook geen aanleiding om deze informatie te gaan bijhouden, omdat wij geen aanwijzingen of informatie dat er in Noord-Holland bedrijven zijn die hun administratie in het kader van de mestboekhouding niet op orde hebben of daarmee frauderen.

Vraag 7: Kan de provincie Noord-Holland bij het Rijk en het IPO aandringen op een correcte, openbare administratie per provincie van de uitstoot van veehouderijen, ten minste voor veehouderijen die meer dan tien ton ammoniak per jaar uitstoten?

Antwoord 7: Wij zien geen aanleiding om hier bij het Rijk en het IPO op aan te dringen, gelet op ons antwoord op vraag 6.

Vraag 8: Begreep u de werking van artikel 2.8 derde lid van de Wet Natuurbescherming, welke voorschrijft dat eerst zekerheid over een passende beoordeling moet zijn, alvorens een plan kan worden vastgesteld?

Antwoord 8: Ja.

Vraag 9: In de 'Nota van beantwoording' op uw zienswijze over het kippenhok, stelde de Raad van de gemeente Hollands Kroon ten onrechte dat er zekerheid was dat het plan geen effecten zou hebben die de natuurlijke kenmerken van een aantal Natura 2000-gebieden zullen aantasten. Waarom heeft u geen aanwijzing gegeven aan de Raad?

Antwoord 9: Een reactieve aanwijzing is alleen mogelijk als kan worden aangetoond dat dit noodzakelijk is vanuit provinciale belangen in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat bij het maken van een bestemmingsplan de Provinciale Ruimtelijke Verordening in acht moet worden genomen (afwijking door het gemeentebestuur is niet toegestaan). Voor het voorkomen van strijd met het objectieve recht (bijvoorbeeld strijd met de Wet natuurbescherming) kan geen reactieve aanwijzing worden gegeven.

Vraag 10: Zijn procedures tot wijzigen bestemmingsplannen voor nieuwe of uitbreidende veehouderijen terwijl passende beoordeling niet onherroepelijk is, op andere plekken gaande in onze provincie? Zo ja, om welke bestemmingsplannen gaat het?

Antwoord 10: Gelet op het antwoord op vraag 9 houden wij geen afzonderlijke administratie bij van dergelijke plannen. Het gemeentebestuur en de initiatiefnemer zijn verantwoordelijk voor de beoordeling van de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan, gelet op het bepaalde in de Wet natuurbescherming. De initiatiefnemer dient onderzoek te doen en in voorkomende gevallen een aanvraag bij de RUD Noord-Holland Noord in te dienen.

Vraag 11: Bent u voornemens, indien dergelijke situaties zich in de toekomst weer voordoen, daartegen een zienswijze of aanwijzing in te dienen?

Antwoord 11: Zie ons antwoord bij vraag 9: een zienswijze of reactieve aanwijzing is alleen mogelijk in geval van strijdigheid met de Provinciale Ruimtelijke Verordening.

Vraag 12: Bent u voornemens om uw medewerking aan de megastal kippenhok nog steeds voort te zetten? Zo ja, waarom?

Antwoord 12: Ja. Het bestemmingsplan Kippenhok is in overeenstemming met ons ruimtelijk beleid zoals dat is vastgelegd in de Provinciale Ruimtelijke Verordening. Voor wat betreft de ruimtelijke ordening hebben wij daarom geen reden om onze medewerking te weigeren. Voor de vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming geldt dat indien de aanvraag voldoet en er is voldoende ontwikkelingsruimte, er geen mogelijkheid tot weigeren is.

Antwoorddatum: 22 mei 2018