Wrede vang­kooien ingezet om vossen te vangen


PvdD stelt vragen over bizarre hetze tegen de vos

INLEIDING VRAGEN

Landschap Noord-Holland en de Agrarische Natuurvereniging zijn voornemens ten minste 15
nieuwe vangkooien in te gaan zetten als onderdeel van hun strijd tegen de vos. Vangkooien
zijn onnodig wreed voor de vos: zij kunnen immers lange tijd in doodsangst in de val zitten
voordat ze worden afgemaakt. Daarbij zijn de kooien niet-selectief: er is geen enkele garantie
dat allerlei andere diersoorten niet ook lange tijd in doodsangst vast komen te zitten. Gebruik
van vangkooien valt niet te rijmen met de zorgplicht als uitgelegd in de Wet Natuurbescherming.

Het afmaken van vossen gebeurt vooral in een poging de weidevogelstand te beschermen. Maar
de logica hierachter is zwak. Het zomaar weghalen van predatoren leidt niet per definitie tot
hogere overleving van weidevogels; het kan zelfs averechts werken. Het bejagen van vossen
leidt ook niet tot minder vossen, concludeert nota bene BIJ12, de uitvoeringsorganisatie voor de
samenwerkende provincies. En weidevogelkuikens worden niet alleen door de vos gepredeerd:
de vos heeft concurrentie van ten minste drie andere soorten zoogdieren en 11 soorten vogels, zonder overheersende soort, en het bejagen van de ene rover leidt tot de opkomst van de
ander.

Ondertussen concluderen alle grote onderzoeken dat de verklaring voor de achteruitgang van
weidevogels helemaal niet gezocht moet worden in predatie, maar in de intensieve landbouw.
Predatoren vinden in de doodgespoten homogene weilanden niet genoeg voedsel, waardoor de
weidevogelleefgebieden verworden tot ‘niets anders dan een goedgevulde voorraadkast waar
kraaien, kiekendieven of marters hun tekorten aanvullen.’

Als we echt begaan zijn met het lot van de weidevogels, dan moeten we ons richten op de
intensieve landbouw. We zullen moeten zorgen dat predatoren ook in het gewone boerenland
meer alternatieve prooien kunnen vinden. De meeste predatoren zouden de schaarse gruttoeieren en –kuikens dan links laten liggen. Maar zolang intensief agrarisch landgebruik op grote
schaal voortduurt, gaat er niet wezenlijk iets veranderen aan de weidevogelstand.

VRAGEN

Vraag 1: Bent u bekend met de inzet van vangkooien voor vossen door Landschap Noord-Holland en de Agrarische Natuurvereniging?

Antwoord 1:

Ja.

Vraag 2: Houdt u bij hoeveel vangkooien worden al ingezet of staan gepland voor inzet in Noord-Holland? Zo ja, kunt u de informatie met ons delen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 2:

Nee, dit houden wij niet bij. Grondgebruikers mogen op grond van een landelijke vrijstelling vossen bestrijden met o.a. kastvallen en vangkooien. Hier hebben wij geen rol in. Wij kunnen deze informatie derhalve niet met u delen.

Vraag 3: Kunt u garanderen dat naast vossen niet ook tal van andere dieren in deze vallen belanden? Kunt u garanderen dat dieren niet urenlang in doodsangst gevangen zullen zitten in de kooien? Zo ja, hoe?

Antwoord 3:

Hoewel wij niet kunnen garanderen dat nooit andere dieren dan vossen in een vangkooi belanden, is de inzet van de kooi voor de ingang van een vossenburcht een uiterst selectief vangmiddel. Andere dieren kunnen de vangkooi dan niet of niet makkelijk betreden. Dagelijkse controle van de vangkooi is verplicht. De vangkooien in het vrije veld en vangkooien die slecht bereikbaar zijn, worden uitgerust met sms-functie. Mocht er toch een ander dier worden gevangen, kan het eenvoudig worden vrijgelaten.

Vraag 4: Zo nee, waarom staat u, ondanks onvermijdelijk ernstig leed, toch gebruik van vangkooien toe? Hoe rijmt u dit met de zorgplicht als uitgelegd in de Wet Natuurbescherming?

Antwoord 4:
De afweging tussen de zorgplicht in de Wet natuurbescherming en het gebruik van vangkooien is niet aan ons college, maar aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Het gebruik van vangkooien gebeurt immers op grond van een landelijke vrijstelling.
Vraag 5: Kunt u uiteenzetten op welke manier de dieren die met een vangkooi worden gevangen, gedood mogen worden? Op welke wettelijke regels is dit gebaseerd?
Antwoord 5:
Een gevangen vos kan enkel middels een geweerschot worden gedood. Dit is mogelijk op grond van de landelijke vrijstelling. Indien het afschot tussen zonsondergang en zonsopgang plaatsvindt dient bij de Regionale Uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord een ontheffing te worden aangevraagd ter aanvulling op hetgeen reeds geregeld is in de landelijke vrijstelling.

Vraag 6: Kunt u de meest recente statistieken delen over schade die vossen veroorzaakten bij boerenbedrijven in Noord-Holland? Deelt u de mening van BIJ12 dat schade door de vos vrij eenvoudig te voorkomen is middels andere methodes dan afmaken?

Antwoord 6: Nee, wij kunnen deze schadecijfers niet verstrekken. Landbouwschade door landelijk vrijgestelde soorten zoals de vos, wordt niet door BIJ12 Faunazaken vergoed, waardoor dergelijke schade doorgaans niet wordt gemeld of geregistreerd. Wij zijn het in algemene zin eens met BIJ12 Faunazaken over de beschikbaarheid van andere methodes. Er is echter in Noord-Holland nog geen aanvullende ontheffing aangevraagd voor het beheer van vossen ter voorkoming van landbouwschade. Daarom hebben wij ons nog geen mening kunnen vormen over een specifieke ontheffingsaanvraag.

Vraag 7: Deelt u de conclusie van BIJ12 dat de intensieve jacht de vos geholpen heeft zich te verspreiden?

Antwoord 7: Ja. Internationaal onderzoek ondersteunt de conclusie van BIJ12. Door intensieve jacht op vossen krijgen vossen meer nakomelingen, met meer zwervende jonge vossen tot gevolg. In Nederland is echter geen jacht met als doel populatiebeheer toegestaan. Beheer op grond van de landelijke vrijstelling is dan ook niet gericht op het verkleinen van de populatie, maar op het lokaal wegnemen van vossen uit territoria waarin ze schade (kunnen) aanrichten. In lijn met ons goedkeuringsbesluit Faunabeheerplan Algemene Soorten 2017-2023 kan het beheer van de vos het beste plaatsvinden in de periode van februari tot juni. Vóór die tijd zijn vossen op zoek naar een territorium, vanaf februari zijn de territoria geclaimd en nemen voor de rest van het voortplantingsseizoen geen nieuwe vossen de plek van een gedode vos meer in.

Vraag 8: Kunt u zich vinden in de conclusies van de RUG- en Sovon-onderzoeken dat de vos slechts verantwoordelijk is voor een bescheiden percentage van de gevallen van predatie onder weidevogels; dat een groot aantal diersoorten de weidevogeleieren en kuikens rooft; en dat bij het wegvallen van één soort, andere soorten de vrijgekomen plek innemen? Graag een reactie.

Antwoord 8: Nee. Het is gebiedsafhankelijk of het beheer van vossen ten behoeve van weidevogels zinvol is. Dit is onder andere afhankelijk van de vraag of de vos de top-predator in het gebied is en of het gebied toegankelijk en aantrekkelijk is voor andere predatoren die de vrijgekomen plek kunnen innemen. Op een aantal onderzoekslocaties van de genoemde onderzoeken was dit het geval en was het effect van vossenbeheer op predatie beperkt. In andere gebieden, waar de landinrichting zo ongunstig mogelijk voor andere predatoren is, zoals in en rondom weidevogelleefgebieden in Noord-Holland, achten wij het wel zinnig om vossen te beheren om predatie te voorkomen. De resultaten van genoemde onderzoeken zijn betrokken bij het opstellen en goedkeuren van het Faunabeheerplan Algemene Soorten 2017-2023, evenals andere onderzoeken naar predatie. De conclusie die uit het Faunabeheerplan Algemene Soorten volgt is dat predatiebeheer een belangrijke schakel is in de bescherming van weidevogels.

Vraag 9: De conclusie van verschillende grote onderzoeken luidt dat de grutto en andere weidevogels in de eerste plaats de dupe zijn van de intensieve landbouw: die creëert voedselschaarste onder rovers, als gevolg waarvan zij zich concentreren op de weidevogels en de weidevogelleefgebieden. Deelt u deze conclusie?

Antwoord 9: Ja, die conclusie delen wij. Weidevogels stellen hoge eisen aan het leefgebied, met name aan de waterhuishouding, de vegetatie, de omvang van gebieden, de openheid en de rust. Deze eisen laten zich niet gemakkelijk combineren met intensieve landbouw. Wij verwachten dat de transitie van de landbouw naar natuurinclusieve landbouw zal bijdragen aan betere leefomstandigheden voor weidevogels.

Vraag 10: Kan de weidevogelstand uws inziens structureel herstellen zonder een einde aan de grootschalige intensieve landbouw?

Antwoord 10: Het is onwaarschijnlijk dat de populatieomvang van vorige eeuw wordt behaald. Hier zijn meerdere factoren debet aan, waar de intensieve landbouw er één van is. Er zijn echter ook andere factoren, zoals afname van geschikt leefgebied door verstedelijking en verstoring door verkeer en recreatie. In gebieden waar het mogelijk is om voor weidevogels optimale omstandigheden te creëren zien we echter ook dat structureel herstel van de populatie mogelijk kan zijn.

Vraag 11: Kan de weidevogelstand structureel herstellen middels beleid gebaseerd op weidevogelleefgebieden, zonder het op grote schaal afmaken van een groot aantal diersoorten? Graag een toelichting.

Antwoord 11: Nee. Zie ons antwoord op vraag 8.

Vraag 12: Bent u bereid te stoppen met het nodeloos en op grote schaal afmaken van vossen en allerlei andere dieren in naam van de weidevogelstand? Bent u bereid u in plaats daarvan volledig te concentreren op maatregelen die de achteruitgang van de weidevogelstand wel structureel oplossen, zoals hervorming van de intensieve landbouw en uitbreiding van natuurgebieden?

Antwoord 12: Er is geen sprake van het nodeloos afmaken van dieren. Voor het verbeteren van de weidevogelstand in de weidevogelleefgebieden zijn veel verschillende maatregelen nodig, waaronder het tegengaan van predatie. Wij zetten ons, samen met beheerders, in voor het verbeteren van de leefgebieden van weidevogels, zowel binnen als buiten het Natuurnetwerk Nederland. Wij richten ons thans op het afronden van het NNN in 2027, het versterken van de kwaliteit van het NNN en voor een transitie van de landbouw, onder meer met het programma natuurinclusieve landbouw.

Antwoorddatum: 20 mrt. 2019

VRAGEN

Vraag 1: Bent u bekend met de inzet van vangkooien voor vossen door Landschap Noord-Holland en de Agrarische Natuurvereniging?

Antwoord 1:

Ja.

Vraag 2: Houdt u bij hoeveel vangkooien worden al ingezet of staan gepland voor inzet in Noord-Holland? Zo ja, kunt u de informatie met ons delen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 2:

Nee, dit houden wij niet bij. Grondgebruikers mogen op grond van een landelijke vrijstelling vossen bestrijden met o.a. kastvallen en vangkooien. Hier hebben wij geen rol in. Wij kunnen deze informatie derhalve niet met u delen.

Vraag 3: Kunt u garanderen dat naast vossen niet ook tal van andere dieren in deze vallen belanden? Kunt u garanderen dat dieren niet urenlang in doodsangst gevangen zullen zitten in de kooien? Zo ja, hoe?

Antwoord 3:

Hoewel wij niet kunnen garanderen dat nooit andere dieren dan vossen in een vangkooi belanden, is de inzet van de kooi voor de ingang van een vossenburcht een uiterst selectief vangmiddel. Andere dieren kunnen de vangkooi dan niet of niet makkelijk betreden. Dagelijkse controle van de vangkooi is verplicht. De vangkooien in het vrije veld en vangkooien die slecht bereikbaar zijn, worden uitgerust met sms-functie. Mocht er toch een ander dier worden gevangen, kan het eenvoudig worden vrijgelaten.

Vraag 4: Zo nee, waarom staat u, ondanks onvermijdelijk ernstig leed, toch gebruik van vangkooien toe? Hoe rijmt u dit met de zorgplicht als uitgelegd in de Wet Natuurbescherming?

Antwoord 4:

De afweging tussen de zorgplicht in de Wet natuurbescherming en het gebruik van vangkooien is niet aan ons college, maar aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Het gebruik van vangkooien gebeurt immers op grond van een landelijke vrijstelling.

Vraag 5: Kunt u uiteenzetten op welke manier de dieren die met een vangkooi worden gevangen, gedood mogen worden? Op welke wettelijke regels is dit gebaseerd?

Antwoord 5:

Een gevangen vos kan enkel middels een geweerschot worden gedood. Dit is mogelijk op grond van de landelijke vrijstelling. Indien het afschot tussen zonsondergang en zonsopgang plaatsvindt dient bij de Regionale Uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord een ontheffing te worden aangevraagd ter aanvulling op hetgeen reeds geregeld is in de landelijke vrijstelling.

Vraag 6: Kunt u de meest recente statistieken delen over schade die vossen veroorzaakten bij boerenbedrijven in Noord-Holland? Deelt u de mening van BIJ12 dat schade door de vos vrij eenvoudig te voorkomen is middels andere methodes dan afmaken?

Antwoord 6: Nee, wij kunnen deze schadecijfers niet verstrekken. Landbouwschade door landelijk vrijgestelde soorten zoals de vos, wordt niet door BIJ12 Faunazaken vergoed, waardoor dergelijke schade doorgaans niet wordt gemeld of geregistreerd. Wij zijn het in algemene zin eens met BIJ12 Faunazaken over de beschikbaarheid van andere methodes. Er is echter in Noord-Holland nog geen aanvullende ontheffing aangevraagd voor het beheer van vossen ter voorkoming van landbouwschade. Daarom hebben wij ons nog geen mening kunnen vormen over een specifieke ontheffingsaanvraag.

Vraag 7: Deelt u de conclusie van BIJ12 dat de intensieve jacht de vos geholpen heeft zich te verspreiden?

Antwoord 7: Ja. Internationaal onderzoek ondersteunt de conclusie van BIJ12. Door intensieve jacht op vossen krijgen vossen meer nakomelingen, met meer zwervende jonge vossen tot gevolg. In Nederland is echter geen jacht met als doel populatiebeheer toegestaan. Beheer op grond van de landelijke vrijstelling is dan ook niet gericht op het verkleinen van de populatie, maar op het lokaal wegnemen van vossen uit territoria waarin ze schade (kunnen) aanrichten. In lijn met ons goedkeuringsbesluit Faunabeheerplan Algemene Soorten 2017-2023 kan het beheer van de vos het beste plaatsvinden in de periode van februari tot juni. Vóór die tijd zijn vossen op zoek naar een territorium, vanaf februari zijn de territoria geclaimd en nemen voor de rest van het voortplantingsseizoen geen nieuwe vossen de plek van een gedode vos meer in.

Vraag 8: Kunt u zich vinden in de conclusies van de RUG- en Sovon-onderzoeken dat de vos slechts verantwoordelijk is voor een bescheiden percentage van de gevallen van predatie onder weidevogels; dat een groot aantal diersoorten de weidevogeleieren en kuikens rooft; en dat bij het wegvallen van één soort, andere soorten de vrijgekomen plek innemen? Graag een reactie.

Antwoord 8: Nee. Het is gebiedsafhankelijk of het beheer van vossen ten behoeve van weidevogels zinvol is. Dit is onder andere afhankelijk van de vraag of de vos de top-predator in het gebied is en of het gebied toegankelijk en aantrekkelijk is voor andere predatoren die de vrijgekomen plek kunnen innemen. Op een aantal onderzoekslocaties van de genoemde onderzoeken was dit het geval en was het effect van vossenbeheer op predatie beperkt. In andere gebieden, waar de landinrichting zo ongunstig mogelijk voor andere predatoren is, zoals in en rondom weidevogelleefgebieden in Noord-Holland, achten wij het wel zinnig om vossen te beheren om predatie te voorkomen. De resultaten van genoemde onderzoeken zijn betrokken bij het opstellen en goedkeuren van het Faunabeheerplan Algemene Soorten 2017-2023, evenals andere onderzoeken naar predatie. De conclusie die uit het Faunabeheerplan Algemene Soorten volgt is dat predatiebeheer een belangrijke schakel is in de bescherming van weidevogels.

Vraag 9: De conclusie van verschillende grote onderzoeken luidt dat de grutto en andere weidevogels in de eerste plaats de dupe zijn van de intensieve landbouw: die creëert voedselschaarste onder rovers, als gevolg waarvan zij zich concentreren op de weidevogels en de weidevogelleefgebieden. Deelt u deze conclusie?

Antwoord 9: Ja, die conclusie delen wij. Weidevogels stellen hoge eisen aan het leefgebied, met name aan de waterhuishouding, de vegetatie, de omvang van gebieden, de openheid en de rust. Deze eisen laten zich niet gemakkelijk combineren met intensieve landbouw. Wij verwachten dat de transitie van de landbouw naar natuurinclusieve landbouw zal bijdragen aan betere leefomstandigheden voor weidevogels.

Vraag 10: Kan de weidevogelstand uws inziens structureel herstellen zonder een einde aan de grootschalige intensieve landbouw?

Antwoord 10: Het is onwaarschijnlijk dat de populatieomvang van vorige eeuw wordt behaald. Hier zijn meerdere factoren debet aan, waar de intensieve landbouw er één van is. Er zijn echter ook andere factoren, zoals afname van geschikt leefgebied door verstedelijking en verstoring door verkeer en recreatie. In gebieden waar het mogelijk is om voor weidevogels optimale omstandigheden te creëren zien we echter ook dat structureel herstel van de populatie mogelijk kan zijn.

Vraag 11: Kan de weidevogelstand structureel herstellen middels beleid gebaseerd op weidevogelleefgebieden, zonder het op grote schaal afmaken van een groot aantal diersoorten? Graag een toelichting.

Antwoord 11: Nee. Zie ons antwoord op vraag 8.

Vraag 12: Bent u bereid te stoppen met het nodeloos en op grote schaal afmaken van vossen en allerlei andere dieren in naam van de weidevogelstand? Bent u bereid u in plaats daarvan volledig te concentreren op maatregelen die de achteruitgang van de weidevogelstand wel structureel oplossen, zoals hervorming van de intensieve landbouw en uitbreiding van natuurgebieden?

Antwoord 12: Er is geen sprake van het nodeloos afmaken van dieren. Voor het verbeteren van de weidevogelstand in de weidevogelleefgebieden zijn veel verschillende maatregelen nodig, waaronder het tegengaan van predatie. Wij zetten ons, samen met beheerders, in voor het verbeteren van de leefgebieden van weidevogels, zowel binnen als buiten het Natuurnetwerk Nederland. Wij richten ons thans op het afronden van het NNN in 2027, het versterken van de kwaliteit van het NNN en voor een transitie van de landbouw, onder meer met het programma natuurinclusieve landbouw.