Vragen over de door­werking verplaat­singseis inten­sieve veehou­derij PRV en stuwmeer bouw­rechten


Vragen van mevrouw drs. L.D. Vermaas (Partij voor de Dieren) over de doorwerking verplaatsingseis intensieve veehouderij PRV en stuwmeer bouwrechten

INLEIDING VRAGEN
Op 16 mei jl. is door de gemeente Hollands Kroon in ontwerp een omgevingsvergunning milieu verleend aan bedrijf “het Kippenhok” te Middenmeer, een megastal waarin 549.999 vleeskuikens zullen worden gehouden, 7 maal de omvang van een regulier vleeskuikenbedrijf. Om de vergunningverlening mogelijk te maken heeft de gemeenteraad op 2 mei jl. het bestemmingsplan “Verplaatsing Pluimveebedrijf het Kippenhok v.o.f.” vastgesteld.

In de Toelichting van het bestemmingsplan wordt aangegeven dat het bestemmingsplan niet in strijd is met de regeling inzake intensieve veehouderij in de PRVS (art. 26 en 26a), in het bijzonder de “verplaatsingseis” van art. 26a.

VRAGEN INCLUSIEF BEANTWOORDING GEDEPUTEERDE STATEN

Vraag 1:
Deelt uw College de opvatting dat het bestemmingsplan Verplaatsing Pluimveebedrijf het Kippenhok (gemeente Hollands Kroon), door de gemeenteraad vastgesteld op 2 mei 2017, is vastgesteld zonder strijdigheid met art. 26a van de Provinciale Ruimtelijke Verordening, in het bijzonder lid 2 (de verplaatsingsregeling)?

Antwoord 1:
Ja

Vraag 2:
Is het überhaupt mogelijk dat een bestemmingsplan in strijd komt met art. 26a lid 2? Omdat immers in een planregeling geen herkomsteisen mogen worden gesteld?
Blijkens artikel 3 van de PRV werkt de Ruimtelijke Verordening niet door naar omgevingsvergunningen die zijn verleend zonder strijdigheid met de PRV of het Bor (Besluit algemene regels). Oftewel, als een aangevraagde vergunning past in het bestemmingsplan, vindt er geen toets meer plaats aan de PRV.

Antwoord 2:
Ja, indien in een bestemmingsplan nieuwvestiging van intensieve veehouderijen wordt toegelaten zonder dat sprake is van verplaatsing en dus van beëindiging op een andere locatie, is er strijd met art 26a lid 2 PRV. Wij beoordelen of planologisch en privaatrechtelijk geregeld is dat de bedrijfsvoering op de oude locatie wordt gestopt.

Vraag 3:
Als het voornoemde bestemmingsplan rechtmatig is wat betreft de bestemming intensieve veehouderij die erin is opgenomen, kan een aangevraagde omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen die met het bestemmingsplan niet strijdig is, worden geweigerd op grond van strijdigheid met de PRV?

Antwoord 3:
Nee, indien het voornoemde bestemmingsplan rechtmatig is, is er immers geen sprake van strijdigheid met de PRV.


Vraag 4:
Kunnen Noord-Hollandse gemeentes in nog vast te stellen bestemmingsplannen rechtmatig nieuwe bestemmingen “intensieve veehouderij” opnemen, zo lang deze voldoen aan de eisen van art. 26 (o.a. hectare eisen bouwblokken)?

Antwoord 4:
Nee. Het voldoen aan de hectare eisen voor bouwblokken is geen voldoende reden om intensieve veehouderij toe te staan. Volgens artikel 26a lid 1 onder a PRV kan een bestemmingsplan namelijk niet voorzien in nieuwvestiging van intensieve veehouderijen. Een nieuwe bestemming intensieve veehouderij kan uitsluitend opgenomen worden als het gaat om verplaatsing van een al bestaand bedrijf (artikel 26a lid 2).

Vraag 5:
Zo ja, gegeven het niet doorwerken van de PRV naar omgevingsvergunningen die niet strijdig zijn met het geldende bestemmingsplan (en het Bor), is het mogelijk dat een omgevingsvergunning voor nieuwvestiging, die niet voldoet aan de verplaatsingseis van art. 26a lid 2, desalniettemin moet worden verleend?

?Antwoord 5:
Niet van toepassing

Vraag 6:
De situatie is nog ernstiger: ook al in bestaande bestemmingsplannen, ook die buiten gebieden voor grootschalige en gecombineerde landbouw, kan sprake zijn van nog niet gerealiseerde bestemmingen “intensieve veehouderij”. Zolang een aanvraag voor een omgevingsvergunning bouwen niet in strijd is met de daarin vastgelegde planregels, dient deze te worden vergund. Er is dus sprake van een stuwmeer van nog niet gerealiseerde, maar wel geldende bouwrechten intensieve veehouderij.
Onderkent uw college dat ondanks de verplaatsingseis van art. 26a, nieuwvestiging van intensieve veehouderij in Noord-Holland nog steeds mogelijk is?

Antwoord 6:
Ja, er bestaat kleine kans op nieuwvestiging van intensieve veehouderij, niet zijnde een verplaatsing van een reeds bestaand bedrijf. Deze mogelijkheid kan zich voordoen in bestemmingsplannen die vóór 1 januari 2009 zijn vastgesteld en na die tijd niet zijn geactualiseerd. Op die datum zijn in de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2009 voor het eerst regels opgenomen die nieuwvestiging van intensieve veehouderijen tegengingen. Indien een bestemmingsplan van voor deze datum, dat nog niet is geactualiseerd, een niet gerealiseerde bestemming ‘intensieve veehouderij’ bevat dan is nieuwvestiging mogelijk. Vanaf 1 januari 2019 is deze mogelijkheid er in principe niet meer, aangezien een bestemmingsplan uiterlijk 10 jaar na vaststelling van de verordening aan de bepalingen in die verordening aangepast moet zijn.

Vraag 7:
Kan uw College een overzicht geven van nog niet gerealiseerde, geheel of gedeeltelijk, maar wel vigerende bestemmingsregelingen “intensieve veehouderij” in Noord-Hollandse bestemmingsplannen? Hoeveel vierkante meter bedrijfsoppervlak voor nieuwe intensieve veehouderijbedrijven kan hiermee worden gerealiseerd?

Antwoord 7:
Nee, wij beschikken niet over deze informatie. De rol van de provincie is het toetsen of nieuwe of gewijzigde bestemmingsplannen voldoen aan het provinciale beleid. De provincie monitort niet de mate waarin vigerende bestemmingen daadwerkelijk worden benut.

Vraag 8:
Hoe gaat uw College bewerkstelligen dat artikel 26a PRV wel de beoogde doorwerking heeft, in die zin dat nieuwvestiging die niet voldoet aan de verplaatsingseis van lid 2, niet meer mogelijk is?

Antwoord 8:
Wij beoordelen alle nieuwe bestemmingsplannen en toetsen of planregels voor niet grondgebonden landbouw en intensieve veehouderijen voldoen aan art 26a PRV.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer