Popu­la­tie­dy­namica Muskus­ratten


Haarlem, 28-8-2009

Onderwerp: Vragen van de heer P. van Poelgeest (PvdD) betreffende het rapport “Populatiedynamica van Muskusratten.”

Inleiding

In opdracht van de Landelijke Coördinatiecommissie Muskusrattenbestrijding (LCCM) heeft onderzoeksbureau Altenburg en Wymenga het rapport “Populatiedynamica van Muskusratten” opgesteld. Het onderzoekbureau heeft enkele rekenmodellen bedacht om de populatie muskusratten te kunnen voorspellen. Hoewel academisch wellicht interessant, is de praktische toepasbaarheid van de simplistische modellen van geen enkele betekenis. De modellen zijn op geen enkele wijze gevalideerd en berusten op veronderstellingen die nooit in het veld zijn getest, of zelfs bewezen onjuist zijn. De conclusies van dit modelmatige onderzoek lijken ook zonder dit onderzoek getrokken te kunnen worden. In bijlage 1 hebben wij de conclusies en onze twijfels daarover weegegeven.
De doelmatigheid van het onderzoeksbudget staat daarmee voor de Partij voor de Dieren ter discussie.

Vragen

1. Bent u met ons van mening dat de conclusies aan het einde van het onderzoeksrapport niet voortvloeien uit het onderzoek zelf en zonder dit onderzoek net zo waar of onwaar lijken?

De onderzoekers benadrukken geregeld de beperkingen van hun onderzoek. Zo stellen zij :
Many assumptions (of the models, PvdD) are to some extend violated … (p. 7)
The null model … could not be optimised because harvest rate, population growth rate and start population were completely confounded… (p. 13)
Overall, even for model 1, with the highest number of successful parameterizations, for 52 of 100 available cells the parameter optimization routine was not successful. (p. 27)
Er zijn echter op dit moment geen betrouwbare gegeven om de schattingen aan te ijken. (p. 55)

2. Bent u met ons van mening dat deze studie hooguit vanuit een academisch perspectief interessant kan zijn maar in de praktijk niet toegepast zou moeten worden (zowel bij het inrichten van het experiment in Groningen als de bedrijfsvoering van de bestrijding)?

3. Bent u bereid om zich in te spannen, bijvoorbeeld vanuit uw positie in de Bestuurlijke Commissie Muskusrattenbestrijding (BCM), voor het verbeteren van de kwaliteit van het onderzoeken in opdracht van de LCCM, gegeven de kwaliteit en toepasbaarheid van de tot nu toe verschenen rapporten ?

4. Het rapport wekt de suggestie dat de bestrijding intensiever en dus duurder uitgevoerd moet worden. Bent u bereid voorlopig het budget voor de bestrijding niet te verhogen?

De onderzoekers stellen dat “we need to establish the relationship between population density on the one hand, and economical damage or safety-risk on the other hand. These aspects are identified as the major gaps in knowledge that hamper proper policy making at the moment.” (p. 52).

5. Deelt u deze opvatting met de onderzoekers en wanneer worden zinvolle beleidsdoelen gesteld in termen van veiligheid (in plaats van gevangen muskusratten)?




Bijlage 1: De conclusies (commentaar PvdD in italic)

Er ligt een schat aan informatie in het vangstregistratiesysteem besloten. Met deze studie is die voor een deel ontsloten. Zo zijn er nu de eerste schattingen van populatieniveaus op lokaal niveau, en is er zicht op een kwantitatief instrument voor normering.
Het is pertinent onjuist dat nu de eerste schattingen gemaakt zijn. Wellicht wordt de eerste goede schatting bedoeld, maar gezien het gebrek aan enige validatie is dat niet houdbaar. Of zoals de onderzoekers zelf zeggen op pagina 55 “Er zijn op dit moment geen betrouwbare gegevens om de schattingen te ijken. Het is duidelijk dat de mate van detail van de gebruikte gegevens gering is.” Met deze kanttekeningen is dit geen conclusie van dit rapport.

Hoe intensiever de bestrijding, hoe lager het resulterende populatie niveau. Bij een hoge intensiteit van bestrijding is het aantal te doden dieren lager dan bij matig intensieve bestrijding.
Het ware beter geweest als de onderzoekers zich hun stelling op pagina 46 ter harte hadden genomen: “we strongly emphasize that the model results … need to be interpreted with substantial caution.” Met deze kanttekeningen is dit geen conclusie van dit rapport.

Hoewel er geen goede informatie over is, is het niet onwaarschijnlijk dat de kosten van zeer intensieve bestrijding op middellange en lange termijn even hoog of zelfs lager kunnen zijn dan lagere bestrijding.
Alles wat begint met de woorden “Hoewel er geen goede informatie over is, is het niet onwaarschijnlijk dat…” is geen conclusie.

Uit praktijkvoorbeelden in Nederland en Vlaanderen blijkt dat het praktisch mogelijk is de bestrijding zeer intensief uit te voeren.
Deze praktijkvoorbeelden zijn niet beschreven/gepubliceerd. Daarom kunnen deze voorbeelden niet als een gegeven worden aan genomen. Bovendien zijn deze voorbeelden geen conclusie van het in dit rapport beschreven onderzoek.

Het bestrijdingdoel moet worden geformuleerd in termen van het populatieniveau waarbij de schade, of het risico daarop, beneden het politiek aanvaardbare niveau blijft. Dat bestrijdingsdoel kan, in theorie, per regio binnen Nederland verschillen.
Als het gaat om veiligheid, dan zou het doel ook in die termen moeten worden beschreven en eventueel een gewenst populatieniveau daarvan zijn afgeleid. Los daarvan wordt deze wankele redenering nergens in het rapport onderbouwd. Het is geen conclusie van dit rapport.

De juiste politieke afweging ten aanzien van het biologische doel kan worden gemaakt als bekend is wat de kosten en de baten zijn. Kosten zijn de financiële kosten van de uitvoering op een bepaald niveau van bestrijding, uitgesplitst naar seizoen. Om de baten te kennen is inzicht nodig in de relatie tussen schade, of risico daarop, en populatieniveau van Muskusratten.
Dit is evident, maar wordt nergens in het rapport onderbouwd. Het is geen conclusie van dit rapport.

Objectbestrijding en seizoenbestrijding betekenen feitelijk een extensivering van de bestrijding. Zolang de hierboven genoemde relaties niet bekend zijn ligt het meer voor de hand om te experimenteren met intensiteit van bestrijding. En-passant wordt dan de noodzakelijke informatie verzameld om ook een betere inschatting te kunnen maken van de eventuele haalbaarheid van deze alternatieve strategieën object- en seizoensbestrijding.
Objectbestrijding en seizoenbestrijding hoeven helemaal geen extensivering te betekenen. De onderzoekers hebben het alleen zo gemodelleerd. Deze stelling wordt dus nergens onderbouwd en is als zodanig geen conclusie van dit onderzoek.

Meerjarig onderzoek in de Nederlandse situatie is om meerdere redenen wenselijk. De belangrijkste daarvan is dat het in de rede ligt dat de doelmatigheid van de bestrijding verder kan worden opgevoerd bij een juiste allocatie van middelen.
Dit is al meer dan 50 jaar waar, maar volgt niet uit dit onderzoek.

Antwoorddatum: 12 okt. 2009

1. Nee. Wij zijn van mening dat de conclusies aan het einde van het onderzoeksrapport
voortvloeien uit het onderzoek zelf.
Voorafgaand aan deze studie was er discussie over de eventuele toepasbaarheid van
alternatieve strategieën van bestrijding. Zie daartoe de eerdere studie van Van Vliet en
Lengkeek (Bureau Waardenburg, 2007). Door de uit literatuur bekende informatie in een
simulatie model te stoppen, en aldus de aannames te expliciteren (hoofdstuk 3 van het
A&W rapport Bos et al. 2009), zijn nu kwantitatieve voorspellingen gegenereerd, die er
voorheen niet waren. De discussie kan nu scherper worden gevoerd (over welke aannames
in het model is men het eens? Welke informatie moet in ieder geval in de Nederlandse
veldsituatie worden gemeten?). Het is bij dit alles goed de beperkingen ervan in het
achterhoofd te hebben. Het is ook een aspect van kwaliteit dat de onderzoekers de
beperkingen van hun werk inzichtelijk maken.
Door kwantitatieve berekeningen te doen aan de hand van gegevens uit het
vangstregistratiesysteem kan onder andere aannemelijk worden gemaakt dat de inzet van
bestrijding leidt tot lagere aantallen (dit is uitgewerkt in hoofdstuk 2 van Bos et al. 2009).
Belangrijker nog, er is nu een instrument waarmee eindelijk in een groot aantal gebieden,
op objectieve wijze, een schatting van aantallen Muskusratten kan worden gemaakt.
Daarmee kan vervolgens -in een toekomstige veldstudie- inzicht worden gegeven in de
samenhang tussen kosten van bestrijding en baten van bestrijding bij een gegeven
populatie. Dat brengt ons een grote stap dichterbij een beter onderbouwde politieke
afweging over de gewenste doelpopulatie Muskusratten. Dit alles is nieuw en nuttig.
Zonder dit onderzoek hadden we die inzichten niet gehad.

2. Nee, wij zijn uw mening niet toegedaan. Het is nuttig om bij het inrichten van een
experiment gebruik te maken van de best beschikbare inzichten. Het onderzoek van
Altenburg & Wymenga levert toetsbare voorspellingen op over een situatie zonder
bestrijding. Het zou dus door de Provincie Groningen benut kunnen worden om haar
afwegingen te maken. Groningen heeft echter besloten om de pilot van niet-bestrijden in
een beperkt gebied niet van start te laten gaan.Voor wat betreft de bedrijfsvoering van de
bestrijding in Noord Holland geldt dat de bevindingen de tot nu toe gevoerde lijn
ondersteunen. Het rapport geeft geen aanleiding daar drastische wijzigingen in aan te
brengen.
De modellen, en het onderzoek als geheel, moeten primair gebruikt worden voor het
beoogde doel, te weten het aanscherpen van de discussie en het ontwerpen van het
noodzakelijke veldonderzoek. De modellen moeten nader verfijnd en gevalideerd worden.
Wat de term ‘simplistische modellen’ betreft: er is een verschil tussen eenvoudig (simpel)
en simplistisch. Modellen moeten passen bij de vraag waarop ze een antwoord moeten
geven, en de data waarmee ze moeten worden gevoed. Modellen moeten zeker niet
ingewikkelder zijn dan nodig. Zowel de in deze studie gepresenteerde statistische
modellen als het simulatie model bouwen voort op wetenschappelijk verantwoord, reeds
gepubliceerd werk. De modellen beantwoorden tevens aan de vraag of, en zo ja welk,
veldonderzoek nodig is.

3. Als medefinancier van de onderzoeken in opdracht van de LCCM streven wij continu naar
een goede kwaliteit van deze onderzoeken.
Kwaliteit van wetenschappelijk onderzoek kan worden verhoogd door transparantie,
openbaarheid, samenwerking met de juiste instanties en personen, en door peer-review.
Uit alles blijkt dat de auteurs van het onderhavige rapport die routes bewandelen. Zo is
samengewerkt voor dit project met wildbiologen en statistici van de Universiteiten van
Wageningen en Vancouver. Er is peer-review gezocht bij collega’s uit Edmonton en
Vlaanderen. Het onderzoeksrapport is vrijelijk beschikbaar via de gezamenlijke
bibliotheken in Nederland. Ook is het werk gepresenteerd op een internationaal congres
over beheer van ‘pestsoorten‘ in Lyon begin september 2009. Ook voor het komende
veldprogramma zullen wij aansturen op een dergelijke kwaliteitsborging.
Wat de inhoud van dat komende veldprogramma betreft: Wij zijn van mening dat er in het
A&W rapport een potentieel zeer vruchtbaar onderzoeksprogramma wordt beschreven.
Met de te verzamelen informatie zal een veel beter onderbouwde afweging gemaakt
kunnen worden over de te voeren strategie en de gewenste doelpopulaties. Uit de A&W
rapportage blijkt dat daarbij niet alleen criteria van financiële aard een rol spelen, maar
ook criteria als dierenwelzijn en overige natuurwaarden. De toekomstige resultaten van
het beschreven onderzoeksprogramma zullen daarnaast ook kunnen worden toegepast in
de vorm van een ‘planning en control’ instrument.

4. Een intensievere bestrijding, in de zin zoals die in het A&W rapport is gedefinieerd, is een
hogere procentuele sterfte door bestrijding van de aanwezige populatie. Het rapport geeft
aan dat intensievere bestrijding leidt tot minder jaarlijks te doden dieren, in absolute
aantallen.
In het rapport wordt juist de suggestie gewekt dat de kosten van intensievere bestrijding
op middellange tot lange termijn lager zullen uitvallen. Dat op korte termijn de kosten
hoger zijn moet gezien worden als een investering. De recente investering van de
Provincie Noord Holland in het intensiveren van de bestrijding (tot medio 2009) lijkt ook
te hebben uitgepakt in die zin. Het is een praktijkvoorbeeld dat consistent is met de
onderzoeksresultaten tot dusver.
De aanbeveling om bestrijding intensiever uit te voeren is geformuleerd op pagina 60 van
het A&W rapport en luidt in zijn geheel als volgt: ‘continueer de huidige jaarrond- en
vlakdekkende bestrijding, en intensiveer deze waar de huidige norm nog niet wordt
gehaald’. In Noord Holland zijn er geen uurhokken waar wij momenteel de huidige norm
niet halen. Een discussie om het budget voor de bestrijding te verhogen is dus volstrekt
niet aan de orde. Daarnaast werken wij aan de overdracht van de bestrijdingstaak naar de
waterschappen op korte termijn (januari 2011) en is het woord voorlopig niet echt meer
van toepassing.

5. Wij zijn het eens met de onderzoekers, en met u, eens dat we de relatie moeten leggen
tussen aantallen en risico. Met het instrumentarium dat in deze studie wordt aangeleverd
zou deze relatie in beeld gebracht kunnen worden. Gegeven dat we er in slagen de door
A&W benoemde kennislacunes te dichten, zullen we ook meer directe beleidsdoelen
kunnen gaan stellen in termen van acceptabele risico’s (en bijbehorende doelpopulaties).
De huidige beleidsdoelen in termen van vangsten zijn op pragmatische wijze tot stand
gekomen, omdat er tot op heden geen passender maat voorhanden was.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer