Nadere vervolg­vragen over lucht­kwa­liteit als aan de provincie toever­trouwd belang  


Inleiding

Tussen vragenstellers (PvdD, SP, GroenLinks, CU/SGP, ONH, 50PLUS) en gedeputeerde staten woedt een levendige correspondentie over de vraag of vanuit de provincie een zienswijze had kunnen worden ingediend op het Ontwerpverkeersbesluit van de minister van Infrastructuur en Milieu van 15 februari 2016 over het aanpassen van de maximumsnelheid in de avond en nacht op de autosnelweg A2. Het gaat daarbij om de vraag of provinciale organen in dit geval gelden als bevoegd gezag dat tot het indienen van een zienswijze gerechtigd is. De antwoorden van gedeputeerde staten van 7 juni 2016 op schriftelijke vragen nr 2016 | 52 geven vragenstellers aanleiding tot het stellen van de volgende nadere vervolgvragen.

Hebben vragenstellers in antwoord 1, tweede volzin ("Het staat iedereen vrij om zienswijzen in te dienen") in de antwoorden van gedeputeerde staten van 7 juni 2016 op schriftelijke vragen nr 2016 | 52 goed gelezen dat gedeputeerde staten van oordeel zijn dat het iedereen vrij stond om zienswijzen in te dienen?

Antwoord 1:

Ja, de vragenstellers hebben dat antwoord goed gelezen. Het stond eenieder vrij een zienswijze in te dienen.

Vraag 2:

Kunnen gedeputeerde staten deze bewering nader onderbouwen en toelichten in het licht van het bepaalde in artikel 3:15, eerste en tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht?

Antwoord 2:

Artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht luidt als volgt:

Lid 1: Belanghebbenden kunnen bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen.

Lid 2 Bij wettelijk voorschrift of door het bestuursorgaan kan worden bepaald dat ook aan anderen de gelegenheid moet worden geboden hun zienswijze naar voren te brengen.

Hieruit maken wij op dat ten aanzien van het ontwerp-verkeersbesluit van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu gericht op het verhogen van de maximumsnelheid op de A2 zowel door belanghebbenden als niet-belanghebbenden een zienswijze kon worden ingediend. Indien Gedeputeerde Staten volgend op een zienswijze beroep zouden hebben ingesteld, zou de bestuursrechter hebben moeten toetsen of Gedeputeerde Staten belanghebbenden zijn. Naar onze mening is het niet duidelijk hoe de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in die situatie zou oordelen.

Vraag 3:

Kunnen gedeputeerde staten hun bewering als bedoeld in vraag 1 voorts nader onderbouwen gelezen het Ontwerp-verkeersbesluit van de minister van Infrastructuur en Milieu van 15 februari 2016 over het aanpassen van de maximumsnelheid in de avond en nacht op de autosnelweg A2, waarin in onderdeel 5 staat dat belanghebbenden zienswijzen op dit ontwerp-verkeersbesluit konden indienen?

Antwoord 3:

De tekst van het ontwerp-verkeersbesluit zoals dat is gepubliceerd in Staatscourant jaargang 2016, Nr, 8425 van 18 februari 2016 is leidend. Hierin is de volgende zin opgenomen: Van 19 februari tot en met 31 maart 2016 kunt u uw zienswijze geven. Er wordt in dit ontwerp-verkeersbesluit niet gesproken over belanghebbenden. Wij constateren daarom dat iedereen de mogelijkheid had om een zienswijze in te dienen. Dit antwoord is afgestemd met Platform participatie dat de voorbereidingsprocedure van het verkeersbesluit van Rijkswaterstaat heeft begeleid.

Vraag 4:

Zijn gedeputeerde staten bereid te erkennen dat hun bewering dat het iedereen vrij stond om zienswijzen in te dienen onjuist is? Verzoeke het antwoord op deze vraag tenminste te laten bestaan uit het woord 'ja' dan wel 'nee'.

Antwoord 4:

Nee. Wij verwijzen voor toelichting hierop naar de beantwoording van vraag 3.

Vraag 5:

Is het gedeputeerde staten bekend dat op het Ontwerp-verkeersbesluit blijkens onderdeel 5 van het Verkeersbesluit van de minister van Infrastructuur en Milieu van 26 mei 2016 over het aanpassen van de maximumsnelheid in de avond en nacht op de autosnelweg A2 in totaal 17 ziens¬¬wijzen zijn ingediend?

Antwoord 5:

Ja, dit is ons bekend. Dit is opgenomen in de Nota van antwoord op het ontwerp-verkeersbesluit van 25 mei 2016 en in het definitieve verkeersbesluit dat is gepubliceerd in de Staatscourant 2016, Nr. 28389 van 2 juni 2016.

Vraag 6:

Herinneren gedeputeerde staten zich dat gedeputeerde staten van Utrecht blijkens hun besluit van 29 maart 2016, als bijlage hier bijgevoegd, een van de bestuursorganen waren die een zienswijze op het genoemde ontwerp-verkeersbesluit hadden ingediend?

Antwoord 6:

Ja dat herinneren wij ons.

Vraag 7:

Is het gedeputeerde staten opgevallen dat de minister in de Nota van Antwoord van 25 mei 2016 op de ingediende zienswijzen heeft beslist dat "omwille van een transparante en informatieve aanpak, ervoor is gekozen om alle zienswijzen, voor zover tijdig ingediend, van een ‘reactie bevoegd gezag’ te voorzien", en dat de minister daarom is ingegaan op alle 17 ingediende zienswijzen, waaronder die van gedeputeerde staten van Utrecht?

Antwoord 7:

Wij hebben van deze werkwijze van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu kennis genomen.

Vraag 8:

Natuurlijk moeten vragenstellers dit aan de minister vragen, maar hebben gedeputeerde staten zelf stil gestaan bij de vraag wat 'voorzien van een reactie bevoegd gezag' zou kunnen betekenen? Zo nee, kunnen gedeputeerde staten motiveren waarom zij zich niet, en vragenstellers zich wél bezig hebben wensen te houden met – ook al gaan vragenstellers noch gedeputeerde staten daarover - het desalniettemin objectief niet onbetekenende feit dat de minister alle bestuursorganen die een zienswijze hebben ingediend beschouwt als waren zij bestuursorganen waarvan een hun toevertrouwd belang in het geding is, en daarmee belanghebbend bij het te nemen besluit van de minister?

Antwoord 8:

Nee. Uit het feit dat de Minister van Infrastructuur en Milieu alle zienswijzen heeft voorzien van ‘een reactie bevoegd gezag’ maken wij niet op dat de Minister alle bestuursorganen die een zienswijze hebben ingediend beschouwt als waren zij bestuursorgaan waarvan een hun toevertrouwd belang in het geding is. De Minister geeft aan dat dit is gedaan omwille van een transparante en informatieve aanpak.

Vraag 9:

Waarom zou de in vraag 8 genoemde beslissing van de minister wel toepasselijk zijn voor de zienswijze van gedeputeerde staten van Utrecht, maar niet voor een ziens¬wijze van gedeputeerde staten van Noord-Holland? Graag een gemotiveerd antwoord met inachtneming van de antwoorden op eerder gestelde vragen.

Antwoord 9:

De in vraag 8 genoemde werkwijze van de Minister van Infrastructuur en Milieu geldt voor alle ingediende zienswijzen dus ook voor een zienswijze van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, mocht die op een eerder moment ingediend zijn.

Vraag 10:

Onderschrijven gedeputeerde staten de conclusie van vragenstellers dat - indien daarbij de politieke onwil buiten beschouwing wordt gelaten alsmede de vraag naar de ontvankelijkheid in beroep - er geen enkele belemmering aanwezig blijkt te zijn geweest voor het indienen van een zienswijze?

Antwoord 10:

Gedeputeerde Staten herhalen haar antwoord op vraag 1 dat het indienen van een zienswijze voor eenieder mogelijk was ware het niet dat in een eventuele beroepsprocedure volgend op een zienswijze de bestuursrechter zou hebben moeten toetsen of Gedeputeerde Staten belanghebbenden zijn. Naar onze mening is het niet duidelijk hoe de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in die situatie zou oordelen

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer