Muskus­rat­ten­be­strijding


VRAGEN NR. 12

Aan de leden van Provinciale Staten van Noord-Holland


Haarlem, 22 februari 2008

Onderwerp: Vragen van de heren R.E. van Oeveren en P. van Poelgeest (PvdD)

De voorzitter van Provinciale Staten van Noord-Holland deelt u overeenkomstig het bepaalde in artikel 45 van het Reglement van Orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van Provinciale Staten mede, dat op 21 februari 2008, door de leden van Provinciale Staten, de heren R.F. van Oeveren en P. van Poelgeest, de volgende vragen bij Gedeputeerde Staten zijn ingekomen.

Inleiding
In het kader van de brede nut en noodzaakdiscussie over de muskusrattenbestrijding zijn rond kerst 4 rapporten en een onderzoeksvoorstel verschenen. Deze komen bovenop de 2 rapporten die al eerder naar de statencommissie zijn verzonden. Over enige tijd volgt nog een rapport; dat zal gaan over vangmiddelen. Wij hebben enkele specifieke vragen die zich slecht lenen voor een (mondelinge) commissiebehandeling.

Overigens zijn wij opnieuw onaangenaam verrast door de ongenuanceerde beeldvorming over muskusratten, waarover wij eerder vragen hebben gesteldi.

In het bericht “ Populatie muskusratten slinkt” in het Dagblad van West-Friesland/NHD van 29-1-2008 meldt de coördinator muskusrattenbestrijding van Noord-Holland dat de inzet van extra muskusrattenbestrijders zijn vruchten afwerpt. Er wordt daarmee een causale relatie gelegd tussen de bestrijding en de afname van het aantal gevangen dieren (hetgeen indicatief zou zijn voor de populatie muskusratten, dus de dieren die overblijven).

Vragen

1. Welke alternatieve verklaringen zijn onderzocht en bleken niet de oorzaak te kunnen zijn van de veronderstelde afname van het aantal muskusratten (bijvoorbeeld een bacteriële besmetting, klimatologische omstandigheden, de introductie van een virus etc.)?


In het bericht wordt ook beweerd dat muskusratten nauwelijks natuurlijke vijanden hebben, dat elk dier 13 kruiwagens aan aarde weggraaft uit oevers en dijken, en dat de dieren 4 keer per jaar 5 tot 6 jongen werpen. Bij eerdere vragen hebben wij al met wetenschappelijke referenties aangetoond:
* dat het opnieuw genoemde aantal jongen schromelijk is overdreven en
* dat door de hoge neststerfte het ongenuanceerd is om wel de hoge geboortecijfers te noemen, maar niet de hoge natuurlijke sterfte.
* Eveneens gaven wij daarbij aan dat predatie een factor van betekenis is; deze is bij volwassen dieren ongeveer de helft van de natuurlijke sterfte. Dit betekent dat de sterfte door predatie rond de 25% zal liggen. Alterra concludeert in 2005ii dat betrouwbare data over de jaarlijkse hoeveelheid vergraven grond … niet voorhanden waren… Hier voegt men aan toe dat de besproken schattingen over grondverzet (zo rond de 0,6 m3) duidelijk gemaximaliseerd waren. Dertien kruiwagens, meestal a 80 liter, komen overeen met meer dan 1 m3

2. Waar is de buitengewoon hoge grondverplaatsing van 13 kruiwagens op gebaseerd en waarom acht u dat betrouwbaarder dan de bevindingen van Alterra?
3. Hoe verhoudt de bewering dat de muskusrat nauwelijks natuurlijke vijanden heeft zich tot de 25% predatiesterfte zoals gevonden door het RINiii? Hoe hoog moet predatiesterfte zijn voordat het woordje nauwelijks verwijderd wordt uit de provinciale voorlichting?
4. Waarom blijft u uitgaan van hogere geboortecijfers dan wetenschappers? Waarom wordt de hoge neststerfte ter nuancering van de hoge geboortecijfers niet genoemd?
5. Indien u geen betere onderbouwing heeft voor de cijfers die de provincie verspreidt dan de onderbouwing van de onafhankelijke wetenschappers, welke stappen gaat u dan ondernemen om de informatievoorziening aan te passen?

In het verleden is gebleken dat de vangmethode met klemmen niet altijd tot een snelle dood leidde van de muskusrat. De dieren raakten weliswaar gewond, maar kwamen om het leven doordat zij onder water in de klem vastzaten en verdronken. Wij hebben begrepen dat de klemmen die tegenwoordig in de bestrijding worden gebruikt zwaarder zijn en men vermoedt dat in deze klemmen de dood meteen intreedt.

6. Bent u bereid te onderzoeken of de Noord-Hollandse muskusrattenbestrijding klemmen gebruikt die de dieren meteen doden, op dat de dieren niet verdrinken (bijvoorbeeld door een tiental muskusratten door een onafhankelijke specialist te laten onderzoeken op doodsoorzaak)?
7. Bureau Waardenburg schrijft in haar rapportiv dat “vanuit ethisch oogpunt kan gesteld worden dat de bestrijding van muskusratten alleen dan gerechtvaardigd kan zijn als er een duidelijk noodzaak is en dat de bestrijding effectief is.” Kunt u zich in deze stelling vinden? Zo nee, waarom niet?


De volgende vraag heeft noodgedwongen een technisch karakter; wij vragen uw begrip hiervoor.
In het rapport van het LEIv zijn 16 uurhokken beschreven en zijn de geconstateerde oeverschade en het gemiddelde aantal gevangen muskusratten per uur veldwerk vastgesteld. Op basis van deze gegevens schrijft het LEI dat globaal het aantal effecten exponentieel lijkt toe te nemen bij een hogere vangstintensiteit. Dit verbaast ons, aangezien in het uurhok waarvan verondersteld wordt dat er de meeste muskusratten leven, de schade het laagst is (namelijk geen schade). Om de exponentiële relatie statistisch te onderbouwen wordt een lineair verband opgesteld tussen de vangstintensiteit (maat voor aantal muskusratten) en de natuurlijk logaritme van de schade. Het gevolg van deze methode is dat de drie uurhokken waar er geen schade is geconstateerd niet meer op de grafiek kunnen, omdat de natuurlijke logaritme van 0, oneindig negatief is. Het LEI berekent desalniettemin van de overige 13 uurhokken een verband met een R2 van 0.48 en meent dat dit nog redelijk goed te noemen is.

8. Kunt u aangeven of de R2 waarde van 0.48 in dezen statistisch significant is? Wat betekent het voor de betrouwbaarheid van de relatie wanneer 3 belangrijke uurhokken in de analyse worden genegeerd? Kunt u onderbouwen dat er op basis van deze 16(!) uurhokken enig statistisch significant verband is tussen het veronderstelde aantal muskusratten in het gebied en de schade. Zo ja, wat is dat verband? Wat is volgens u de betekenis van het negeren van de data van de drie genoemde uurhokken en wat voor gevolgen heeft dat voor de conclusies van het rapport?


Het ingenieursbureau DHV heeft drie keer de opdracht gekregen een deelonderzoek uit te voeren in het kader van de nut en noodzaakdiscussie, waaronder ook een onderzoek naar preventieve maatregelen tegen graverij van muskusratten en beverrattenvi. In dit onderzoek worden preventieve maatregelen vergeleken met een situatie waarin er geen muskusratten zijn. Op pagina 4 staat dat
“in Nederland worden momenteel uitsluitend technische vangmiddelen gebruikt. Dergelijke methoden, welke de populatie direct beïnvloeden behoren niet tot de scope van voorliggend onderzoek.”
Op pagina 32 staat tevens dat
“de huidige noch de toekomstige populatiedichtheid zijn echter onderwerp van deze studie.” Het verbaast ons dan ook dat in de conclusies wel degelijk de huidige muskusrattenbestrijding en de gevolgen van populatieontwikkeling aan de orde worden gesteld. Hoewel men geen onderzoek heeft gedaan naar de huidige bestrijding wordt daar wel een conclusie over getrokken:
“Een aantal (preventieve, RvO) maatregelen heeft wel een effect maar als de populatie groeit dan ontstaat alsnog een te groot risico op onacceptabele schade door graverij. Het bestrijden van muskusratten en beverratten om de populatieomvang te beheersen blijft dus noodzakelijk”

9. Kunt u aangeven hoe het mogelijk is om de noodzaak van de muskusrattenbestrijding aan te tonen zonder de effectiviteit van de muskusrattenbestrijding te beoordelen, aan de hand van passages in het genoemde DHV rapport (uitgezonderd de samenvatting en de conclusies)?




Gedeputeerde Staten zullen de gestelde vragen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 30 dagen na binnenkomst, beantwoorden.

i Vragen nr. 42, 26 juni 2007.
ii Alterrarapport 1197.
iii Verplaatsings- en Verspreidingspatronen van muskusratten (Ondatra zibethicus) AJ Verkaik, RIN rapport.
iv Bureau Waardenburg rapportnummer 07-199, Alternatieve strategieën voor de bestrijding van muskusratten, van Vliet en Lengkeek.
v Landbouw Economisch Instituut rapportnummer 4.07.05, Economische schade als gevolg van graverij en vraat door muskusratten, Gaaff et al.
vi DHV Preventieve maatregelen tegen graverij van muskusratten en beverratten, rapportnummer A7400.01.001, Spoorenberg et al.

Antwoorddatum: 15 okt. 2008

Ons antwoord aan provinciale staten luidt als volgt:

1. Er zijn geen alternatieve verklaringen onderzocht voor de afname van de muskusrattenpopulatie. Grootschalige bacteriële/virale besmettingen zijn in het veld niet gesignaleerd. De klimatologische omstandigheden zijn de laatste jaren niet ten nadele van de muskusrat veranderd.

2. De hoeveelheid grond, die verplaatst wordt, is sterk afhankelijk van de grondsoort. De
verplaatsing is op zandgronden vele malen hoger dan op kleigrond, 1 m3 grond is een gemiddelde wat gehanteerd wordt door de bestrijdingsorganisaties.

3. De 25 % predatiesterfte, zoals in het rapport van het RIN wordt genoemd, is een gegeven uit een zeer kleinschalig onderzoek waar ook veel onzekerheden in worden genoemd. Bovendien beïnvloedt de intensivering van de bestrijding de predatiefactor niet, d.w.z. dat de predatiefactor gelijk gebleven is (voor en tijdens de intensivering) en het aantal gevangen muskusratten teruggelopen is.

4. Over de geboortecijfers verschillen de wetenschappers van mening. Er zijn wereldwijd
verschillende onderzoeken gedaan onder verschillende klimatologische omstandigheden. Deze geven een verschillend beeld van het aantal jongen. Bij een onderzoek naar leverbot bij muskusratten is er een nevenonderzoek gedaan naar de hoeveelheid foetussen die de ratten bij zich droegen. In januari 2007 werd een jonge moer gevangen van 885 gram, drachtig van 7 foetussen. De laatste dracht werd in september geconstateerd (dr. F.H.M Borgsteede, Universiteit van Wageningen). De draagtijd is gemiddeld 4 weken. In normale omstandigheden gaan we nu uit van 3 tot 4 worpen per jaar met 6 jongen per worp, conform de cijfers van de Landelijke Coördinatie Commissie Muskusrattenbestrijding(LCCM).

5. De informatie die de provincie Noord-Holland verstrekt zal in lijn liggen met de (landelijke) informatie die de LCCM verspreidt. Deze informatie is gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek en ervaringen uit de praktijk.

6. Een onderzoek op provinciale schaal vinden wij niet relevant. Wordt er landelijk onderzoek
gedaan dan willen wij hierin participeren. Het type klemmen dat in Noord-Holland wordt gebruikt, wordt door heel Nederland gebruikt. Dit type klemmen is zo ontworpen dat zij in principe direct dodend zijn.

7. Wij kunnen ons in deze stelling vinden. De reden dat de muskusrat bestreden wordt, is het
beperken van het veiligheidsrisico. Mede door de vragen vanuit Provinciale Staten heeft de
bestrijding meer oog gekregen voor het welzijn van de dieren.

8. De R2 waarde van 0,48 heeft betrekking op de in figuur 2.4 geïllustreerde lineaire relatie tussen de vangstintensiteit en het natuurlijk logaritme van de oeverschade per kilometer watergang. De Pearson correlatiecoëfficiënt van deze variabelen is statistisch significant op het 95%-betrouwbaarheidsniveau.

Terecht wordt opgemerkt dat het in figuur 2.4 geschetste verband niet gebaseerd is op alle 16 uurhokken. Het gaat hier echter om een illustratie van het verband en niet om een schatting van de modellen die gebruikt worden voor opschaling (in hoofdstuk 3). Op het moment dat deze figuur gemaakt werd, waren nog niet alle waarnemingen verwerkt. Een aanzienlijk aantal ingevulde formulieren ontving het LEI namelijk vlak voor of enkele dagen na de uiterste inleverdatum. De figuur geeft daarom niet de volledig bijgewerkte waarnemingen weer. Dat geldt eveneens voor de overzichtstabel in bijlage 3, die op hetzelfde moment is gemaakt. Vóór het schatten van de modellen en vóór het opschalen van de waarnemingen naar heel Nederland in hoofdstuk 3 zijn echter wel alle waarnemingen verwerkt en deze zijn vervolgens ook in de analyse meegenomen. Voor de volledigheid is een aangepaste overzichtstabel bijgevoegd, waarin deze waarnemingen getoond worden. Op basis van alle verwerkte waarnemingen moet worden vastgesteld dat er in alle uurhokken oeverschade is geconstateerd. Alle waarden zijn namelijk hoger dan 0. Dat betekent dat de door de vraagstellers belangrijk geachte uurhokken in de analyse allerminst genegeerd zijn.

Er is een statistisch significant verband tussen de vangstintensiteit (het veronderstelde aantal muskusratten in het gebied) en de oeverschade per kilometer watergang op het 95%-betrouwbaarheidsniveau. Het veronderstelde aantal muskusratten verklaart echter slechts een deel van de variantie. Daarom zijn bij het schatten van model 1 en 2, die in hoofdstuk 3 worden gebruikt om op te schalen, meer verklarende variabelen gebruikt (grondsoort en aantal kilometer watergang). De oeverschade is dus niet gerelateerd aan de vangstintensiteit alleen.

Bij de berekeningen zijn geen data genegeerd. De conclusies van het rapport blijven daarom ongewijzigd.

9. In de eerste plaats wordt opgemerkt dat DHV in haar rapportages nergens de noodzaak van muskusrattenbestrijding onderbouwt. Wel is in de rapportages aangetoond dat de graverij die muskusratten aan waterkeringen veroorzaken het functioneren van de waterkeringen negatief beïnvloedt en dat naarmate de intensiteit van graverij toeneemt, de veiligheid navenant afneemt. Dit betekent dat de waterkeringbeheerders de veiligheid tegen overstromen van het achterland naar de bewoners hiervan niet meer kunnen garanderen. Omdat dit een wettelijk verplichte taak is van de waterkeringbeheerders, wordt de dit als onacceptabel beschouwd. De enige conclusie die daaruit getrokken wordt is dat graverij voorkomen moet worden. De wijze waarop dit bereikt moet worden is nergens beschreven.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer