Natuur­ont­wik­keling Leipolder


VRAGEN NR. 93

Aan de leden van Provinciale Staten van Noord-Holland


Haarlem, 4 december 2007

Onderwerp: Vragen van P. van Poelgeest (PvdD)

De voorzitter van Provinciale Staten van Noord-Holland deelt u overeenkomstig het bepaalde in artikel 45 van het Reglement van Orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van Provinciale Staten mede, dat op 8 november 2007, door het lid van Provinciale Staten, de heer P. van Poelgeest de volgende vragen bij Gedeputeerde Staten zijn ingekomen.

Inleiding

In de Leipolder, onderdeel van het vogelrichtlijngebied “Abtskolk en de Putten,” zijn in opdracht van Natuurmonumenten door de Dienst Landelijke gebied (DLG) recentelijk graafwerkzaamheden uitgevoerd ten behoeve van natuurontwikkeling door de vorming van een zilte vegetatie.
De werkzaamheden hebben tot de nodige ophef geleid bij omwonenden en de Faunabescherming die wijzen op de aantasting van het leefgebied van de zeer zeldzame dwerggans en de cultuurhistorische waarden van de Leipolder.
In het gebied overwintert jaarlijks een significant deel van de dwergganzen in Nederland. Toch veronderstelden Natuurmonumenten, de provincie Noord-Holland en de Dienst Landelijk Gebied dat er geen sprake is van een significante ingreep met betrekking tot het voorkomen van de dwerggans omdat er voldoende gras in de omgeving aanwezig zou zijn.
De Raad van State heeft inmiddels beslist dat de graafwerkzaamheden stilgelegd dienen te worden en dat verder onderzoek naar het foerageergedrag van dwergganzen in het gebied dit najaar en komende winter wenselijk is.

Vragen

1. Verwacht u dat het onderzoek naar het foerageergedrag van de dwerggans in één jaar kan worden
afgerond?

2. De omstandigheden die de gans in de winter aantreft kunnen sterk verschillen van jaar tot jaar. Bovendien behoort de dwerggans wereldwijd tot een van de meest bedreigde ganzensoorten. Indien u het onderzoek in een jaar hoopt af te ronden, hoe denkt u te voorkomen dat de conclusies uit het onderzoek teveel beïnvloed zijn door de omstandigheden van dat jaar?

In het Sovon rapport “Pleisterplaatsen van Dwergganzen (Anser erythropus) in Nederland komt naar voren dat de eerste exemplaren wintergasten jaarlijks rond eind september worden waargenomen. Het onderzoeksrapport van Altenburg en Wymenga, dat de provincie in verband met de Natuurbeschermingswetvergunning heeft laten maken, gaat uit van werkzaamheden in de Leipolder die tot 1 oktober duren. De provincie heeft echter een vergunning verleend die tot 15 oktober geldig is.

3. Bent u van mening dat aantasting van één van de winterkwartieren van de dwerggans dit van invloed zou kunnen zijn op het leefpatroon van andere populaties dwergganzen die jaarlijks in Nederland overwinteren? Zo neen, waarom niet?

4. Waarom heeft de provincie de vergunning verleend tot 15 oktober, terwijl het rapport van het adviesbureau uitgaat van werk tot 1 oktober?

5. Is het de provincie bekend dat er al jarenlang twee scenario's voor een uitbreiding van de zilte vegetatie bestaan, namelijk een eenvoudige en goedkope methode door middel van het verhogen van de waterstand met 10 cm en een kostbare methode door het afgraven van 10 tot 30 cm poldergrond? Waarom is voor de laatste methode gekozen?

6. De opkomende vegetatie op de locaties waar de inrichtingswerkzaamheden ten behoeve van natuurontwikkeling zijn stilgelegd bestaat voornamelijk uit gras, zuring en distels en kan dus allerminst zilt genoemd worden. Draagt deze ontwikkeling bij aan de realisatie van de natuurdoelen uit het Provinciaal Natuurgebiedplan en past dit binnen het inrichtingsplan welke Natuurmonumenten en de provincie met dit gebied voor ogen heeft?

7. Is deze opkomende vegetatie aanleiding voor de provincie om de vergunning nader in overweging te nemen?

Naar onze informatie heeft DLG schriftelijk aan de Raad van State laten weten dat het werk stil zou blijven liggen tot het oordeel van de Raad van State in de tweede zitting bekend zou zijn. Tijdens die tweede zitting bleek het werk echter tot op dat moment gewoon voortgezet te worden.

8. Is de provincie hier tekort geschoten in haar controlerende en handhavende taken?

9. Zal in de toekomst gecontroleerd worden op een eventuele voortzetting van het werk en handhavend worden opgetreden als het werk wordt voortgezet?

Antwoorddatum: 3 dec. 2007

Ons antwoord aan provinciale staten luidt als volgt:

Antwoord 1 en 2
De vergunningaanvrager (DLG) dient middels onderzoek aan te tonen dat er geen negatieve effecten kunnen optreden voor de dwerggans. Een vergunning kan pas worden verleend wanneer dit onderzoek aantoont dat negatieve effecten zijn uitgesloten. Wij zijn op de hoogte dat DLG Alterra heeft benaderd voor een aanvullend onderzoek naar het leefpatroon van de dwerggans in het gebied. Het onderzoek start binnenkort en er zijn nog geen resultaten. Wij zijn daarom nog niet in staat een oordeel te geven over het onderzoek. Er is nog geen nieuwe vergunningaanvraag bij ons ingediend. Wij zullen uw
opmerkingen over de einddatum van werkzaamheden meenemen in de uiteindelijke beoordeling van de vergunningaanvraag.

Antwoord 3
De Natuurbeschermingswet toetst aan de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied, in dit geval het gebied “Abtskolk en De Putten”. Het leefpatroon van andere populaties dwergganzen in Nederland maakt geen onderdeel uit van deze instandhoudingsdoelstellingen. Er zal daarom niet op deze effecten worden getoetst in het kader van de Natuurbeschermingswet.

Antwoord 4
Er is voor 15 oktober gekozen omdat de dwergganzen vanaf half oktober in “Abtskolk en de Putten” arriveren. Bovendien verblijven de dwergganzen in oktober en november voornamelijk in de noordelijk gelegen polders Q en L. In deze polders vinden geen werkzaamheden plaats. Deze informatie is terug te vinden in het aanwijsbesluit tot Natura2000 gebied en in de SOVON rapporten: “Pleisterplaatsen van dwergganzen in Nederland” (2005) en “Terreingebruik van dwergganzen en andere ganzensoorten op de pleisterplaats Abtskolk/De Putten” (2006).

Antwoord 5
Er is gekozen voor verzilting door middel van maaiveldverlaging omdat het opzetten van het waterpeil tot minder zilte kwel leidt, waardoor de verzilting zou worden getemperd. De keuze om verzilting door deze methode toe te passen is genomen door de Landinrichtingscommissie. De kostbaarheid van de werkzaamheden is overigens geen belang dat kan worden meegewogen in het kader van de Natuurbeschermingswet.

Antwoord 6 en 7
Het ligt in lijn der verwachting dat na afgraving niet direct een zilte vegetatie opkomt. De ontwikkeling van zilte en brakke graslanden duurt namelijk enkele jaren (voor pioniersstadium) tot minimaal 10 jaar (later successiestadium). Deze informatie is terug te vinden in het onderzoek van Altenburg en Wymenga rapport dat bij de aanvraag is meegestuurd en in het Handboek Natuurdoeltypen (Bal et al, 2001).

Antwoord 8 en 9
DLG heeft tijdens de zitting bij de Raad van State beloofd de werkzaamheden te staken zodat handhaving niet noodzakelijk zou zijn. Wij waren verrast en teleurgesteld toen bleek dat de belofte niet was nagekomen. Onze handhavers zien er op toe dat er geen werkzaamheden meer plaatsvinden, zolang dat niet is toegestaan. Ook in de toekomst zullen onze handhavers er op toezien dat gewerkt wordt onder een geldige vergunning.


Titel:PS-vraag 93: Van Poelgeest over natuurontwikkeling Leipolder
Datum:04-12-2007
Nummer:93

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer