Het fauna­beleid onder de Wet Natuur­be­scherming


Vraag 1:

Hoe dient de verhouding tussen de Verordening vrijstellingen soorten Noord-Holland en het faunabeheerplan te worden bezien? Geldt een vrijstelling zonder tussenkomst van een faunabeheerplan direct, of dient de mogelijkheid van gebruik van de vrijstelling af te hangen van het faunabeheerplan?

Antwoord 1:

In de Wet natuurbescherming (artikel 3.12, lid 1 zoals deze vanaf 1 maart 2017 geldt) is bepaald dat het duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, de bestrijding van schadeveroorzakende dieren door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht moet plaatsvinden overeenkomstig het faunabeheerplan. Dat deze handelingen ook overeenkomstig het faunabeheerplan moeten gebeuren wanneer ze plaatsvinden op grond van een vrijstelling, is nog eens expliciet bepaald in artikel 5, lid 4, van de Verordening vrijstellingen soorten.

Dit betekent dat per 1 maart 2017 het gebruik van de vrijstelling dient plaats te vinden in overeenstemming met het faunabeheerplan. Indien in het faunabeheerplan maatregelen ter beheer en schadebestrijding van een diersoort zijn opgenomen, kan de vrijstelling dus worden gebruikt voor dat beheer en die schadebestrijding. Wanneer ten aanzien van een bepaalde soort geen maatregelen ter beheer en schadebestrijding zijn opgenomen in het faunabeheerplan, kan voor die soort van de vrijstelling geen gebruik worden gemaakt.

Vraag 2:

Hoe dient artikel 5 lid 4 van de Verordening vrijstellingen soorten Noord-Holland (‘Uitvoering van de in de artikelen 2 en 3 bedoelde handelingen vindt plaats overeenkomstig het daartoe door Stichting Faunabeheereenheid Noord-Holland vastgestelde, door Gedeputeerde Staten conform artikel 3.12, zevende lid, van de wet goedgekeurd faunabeheerplan.’) worden begrepen?

Antwoord 2:

Zie het antwoord op vraag 1. Hierbij wordt benadrukt dat onder goedgekeurde faunabeheerplannen ook die faunabeheerplannen worden gerekend die zijn goedgekeurd onder de gelding van Flora- en faunawet, maar nog doorlopen na 1 januari 2017. In het overgangsrecht van de Wet natuurbescherming (Wnb) is bepaald dat een goedkeuring op grond van de Flora- en faunawet geldt als een goedkeuring als bedoeld in artikel 3.12, lid 7, Wnb.

Vraag 3:

Is het mogelijk om gebruik te maken van de vrijstelling voor het afschot op knobbelzwanen, als dit niet overeenkomt met het faunabeheerplan? Zo nee, waarom wordt onder verwijzing naar de Verordening vrijstellingen soorten Noord-Holland niet opgetreden tegen zwanenjagers?

Antwoord 3:

Nee, het is voor grondgebruikers niet mogelijk om gebruik te maken van de mogelijkheden die de Verordening vrijstellingen soorten met betrekking tot de knobbelzwaan biedt, indien dat gebruik niet geschiedt overeenkomstig het Faunabeheerplan Algemene Soorten, hoofdstuk Knobbelzwaan.

Het vigerende Faunabeheerplan Algemene Soorten, hoofdstuk Knobbelzwaan is ruim opgezet en ziet op vrijwel alle aspecten van de voorkoming van schade aangericht door knobbelzwanen. Daaronder begrepen aan verjaging ondersteunend afschot. De Verordening vrijstellingen soorten biedt de grondgebruiker de mogelijkheid om ten aanzien van knobbelzwanen aan verjaging ondersteunend afschot te plegen. De uitvoering van de met de Verordening toegestane handelingen is daarmee in overeenstemming met het vigerende FBP Algemene Soorten, hoofdstuk Knobbelzwaan.

Vraag 4:

Kan op basis van het huidige faunabeheerplan gebruikt gemaakt worden van de vrijstelling voor brandgans, ekster, gaai, grauwe gans, knobbelzwaan, kolgans of meerkoet, aangezien de faunabeheereenheid dat niet heeft opgenomen in het vigerende faunabeheerplan?

Antwoord 4:

Ja. Het vigerende Faunabeheerplan Algemene Soorten bevat hoofdstukken over ekster, gaai, knobbelzwaan en meerkoet. In het vigerende Faunabeheerplan Ganzen 2015-2020 worden brandgans, grauwe gans en kolgans besproken. Het is derhalve voor de grondgebruiker mogelijk om gebruik te maken van de Verordening vrijstellingen soorten, overeenkomstig het beheer en de schadebestrijding zoals dat is opgenomen in de relevante vigerende faunabeheerplannen.

Vraag 5:

Hoe is de huidige verdeling van zetels in de Faunabeheereenheid Noord-Holland en hoe gaat de samenstelling van het FBE bestuur er uit zien en welke organisaties leveren een bestuurslid?

Antwoord 5:

Op grond van artikel 2.2 (Bestuurssamenstelling) van de verordening Faunabeheer Noord-Holland moet er in het bestuur van een faunabeheereenheid ten minste een vertegenwoordiger vanuit ieder van de volgende collectieven van jachthouders of jachtaktehouders werkzaam binnen het werkgebied van de betreffende faunabeheereenheid, zitten: agrariërs, particulieren, grondeigenaren, terreinbeherende organisaties en verenigingen van jagers.

Het bestuur van de Faunabeheereenheid Noord-Holland wordt onder leiding van een onafhankelijk voorzitter, gevormd door:

- De Land- en Tuinbouworganisatie Noord, Noord-Holland (LTO Noord)

- De jagersvereniging, Nederlandse organisatie voor Jacht en Grondbeheer (NOJG) en de WBE’s in Noord-Holland

- Terreinbeherende organisaties: Staatsbosbeheer (SBB), Stichting Landschap Noord-Holland (LNH) en Vereniging Natuurmonumenten (NM), Waternet (Gemeente Amsterdam), NV. PWN Waterleidingbedrijf Noord-Holland (PWN), Stichting Goois Natuurreservaat (GNR)

- Hollands Particulier Grondbezit (HPG)

Daarnaast nodigt de faunabeheereenheid in ieder geval de volgende maatschappelijke organisaties uit bij haar vergaderingen als adviseurs:

- Dierenbescherming

- Faunabescherming

- Vogelbescherming

Vraag 6:

Welke van deze organisaties zijn volgens u jachthouder en welke een maatschappelijke organisatie, zoals bedoeld in de wet en voldoet de huidige Faunabeheereenheid daarmee aan de eisen van de wet?

Antwoord 6:

De terreinbeherende organisaties en de jagersverenigingen zijn maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in de regio, als bedoeld in artikel 3.12, lid 2, Wnb. De terreinbeherende organisaties, de jagersverenigingen, de Land- en tuinbouworganisatie Noord en Hollands Particulier Grondbezit merken wij (mede) aan als verenigingen van jachthouders. De huidige Faunabeheereenheid voldoet daarmee ons inziens aan artikel 3.12, lid 2, Door deelname van een aantal TBO’s en de verenigingen van jagers zijn immers ten minste twee maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in de regio in het bestuur vertegenwoordigd.

In dit verband wordt ook verwezen naar de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 24 maart 2017 waarin hij expliciet aangeeft dat terreinbeherende organisaties het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in de betrokken regio’s.

Vraag 7:

Heeft u aanwijzingen dat het Ministerie van Economische Zaken twijfels heeft over of u de wet met betrekking tot de bestuurssamenstelling van de faunabeheereenheid correct heeft uitgevoerd? Zo ja, waarom heeft u die niet met Provinciale Staten gedeeld?

Antwoord 7:

Ja. Wij hebben ambtelijk via het Ministerie van Economische Zaken signalen gekregen dat zij twijfelen over onze interpretatie van de wet. Wij zijn hierover op 16 maart 2017 in gesprek gegaan. Gebleken is dat het ministerie de verenigingen van jagers niet aanmerkt als een maatschappelijke organisatie die het doel behartigt van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in de regio. Terreinbeherende organisaties worden door het ministerie wel als zodanige maatschappelijke organisaties aangemerkt. Er van uitgaande dat de jagersverenigingen geen maatschappelijke organisaties zijn, is volgens het ministerie met artikel 2.2 van de verordening niet gewaarborgd dat tenminste twee maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in de regio in het bestuur zijn vertegenwoordigd, zoals artikel 3.12, lid 2, Wnb vereist. In de verordening is immers voorgeschreven dat er ten minste één vertegenwoordiger van een terreinbeherende organisatie in het bestuur is vertegenwoordigd.

Het gesprek met het ministerie is voor ons college aanleiding om aan uw Staten voor te stellen om artikel 2.2 van de verordening te wijzigen, in die zin dat gewaarborgd wordt dat, ook zonder de verenigingen van jagers mee te tellen, ten minste twee maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in de regio vertegenwoordigd zijn. Aan de specifieke redactie van de wijziging wordt op dit moment gewerkt. Overigens: aangezien de Faunabeheereenheid meer dan twee terreinbeherende organisaties vertegenwoordigd heeft in haar bestuur, voldoet zij op dit moment in feite aan de minimum eisen van de wet.

Wij hebben de kwestie eerst met het ministerie willen bespreken, zodat wij uw Staten - middels de beantwoording van deze vragen – adequaat konden informeren over de kwestie en de oplossing ervan.

Vraag 8:

Is er een provincie die op dezelfde wijze als u de bestuurssamenstelling van de faunabeheereenheid accepteert?

Antwoord 8:

Nee, wij zijn de enige provincie die op deze wijze haar verordening op dit punt heeft vormgegeven.

Vraag 9:

Zal per 1 maart, als artikel 3.12 lid 1 WN in werking treedt en jacht, beheer en schadebestrijding moeten worden uitgevoerd conform een faunabeheerplan, een faunabeheereenheid actief zijn met een faunabeheerplan die beiden voldoen aan de wet?

Antwoord 9:

Ten aanzien van jacht is een geldig faunabeheerplan niet tijdig gereed gekomen, er is echter op dit moment geen sprake van openstelling van de jacht. Er is wel sprake van vigerende faunabeheerplannen die voldoen aan de wet en op grond waarvan beheer en schadebestrijding in het kader van de Verordening vrijstelling op soorten mag worden uitgevoerd. Dit geldt voor die soorten die in de faunabeheerplannen zijn opgenomen.

Vraag 10:

Kan een faunabeheereenheid met een bestuur dat niet voldoet aan de eisen van de wet een rechtsgeldige ontheffing dan wel een rechtsgeldig faunabeheerplan vaststellen?

Antwoord 10: Wij zijn van mening dat het bestuur van de Faunabeheereenheid en het huidige faunabeheerplan op dit moment wel aan de eisen van de wet voldoen. Zie onze toelichting bij vraag 7.

Vraag 11:

Staat het bestuursleden van de faunabeheereenheid vrij om afwijkend te stemmen, indien zij zich niet kunnen verenigen met een meerderheidsstandpunt? Bent u met ons van mening dat die ruimte om publiekelijk af te wijken op geen enkele wijze mag worden beperkt?

Antwoord 11:

Uw Staten hebben geen eisen opgenomen in de verordening over stemverhoudingen en –gedrag binnen het bestuur van de faunabeheereenheid. De FBE is een zelfstandige stichting en ons college heeft niet de wens om eisen op te nemen ten aanzien van stemverhoudingen en –gedrag binnen zelfstandige stichtingen.

Vraag 12:

Worden er binnen de FBE (nadere) afspraken gemaakt omtrent stemgedrag en stemmingen van het bestuur van de FBE? Zo ja, welke?

Antwoord 12:

Zie ons antwoord op vraag 11.

Vraag 13:

Heeft de gemeente/het ziekenhuis Alkmaar een melding gedaan of een ontheffing gevraagd voor het verjagen van de vleermuizen? Zo ja, hoe is die beoordeeld? Zo nee, gaat u handhaven?

Antwoord 13:

Nee, de gemeente Alkmaar heeft geen aanvraag voor een ontheffing ingediend bij ons college. De gemeente heeft laten weten dat de onderzoeken deels zijn afgerond en op onderdelen nog gaande zijn. Er worden geen bomen gekapt noch gebouwen gesloopt voordat deze onderzoeken definitief zijn en maatregelen zijn getroffen/ontheffing is verleend.

--

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer