Fauna­be­heerplan Damhert 2011


Vragen van de leden P. van Poelgeest en R.E. van Oeveren (Partij voor de Dieren):

Inleiding
Het college van Gedeputeerde Staten keurde 1 februari het faunabeheerplan damhert van de faunabeheereenheden Zuid- en Noord-Holland goed. De Partij voor de Dieren heeft enkele technische vragen gesteld en na lezing van de antwoorden bleven er nog enkele politieke vragen over.
Wanneer de huidige situatie blijft bestaan met als enige bijkomende maatregel het plaatsen van hekwerken krijgt men een situatie waarbij de dieren volledig ingesloten zitten en er geen risico meer is op schade buiten het gebied. (p. 14 contra-expertise)… Technisch is het afrasteren van een dergelijk gebied zeker mogelijk mits hiervoor de nodige financiële middelen en politieke wil aanwezig zijn. (p. 15 contra-expertise)

1. Deelt u deze conclusie van Inbo en Tauw?
Het volledig inrasteren van de damherten met een goed functionerend hekwerk zou schade buiten het leefgebied voorkomen. (p. 63) De provincie heeft als beleidsdoelstelling het streven naar 0 euro schade en 0 aanrijdingen. De schrijvers stellen dat bij een vrijlevende populatie de schade nooit helemaal 0 zal zijn. (oa p. 21)

2. Betekent dit dat beheer met veel afschot, zoals voorgesteld in het faunabeheerplan damhert, de doelstellingen van de provincie niet zal halen?

3. Is daarmee de conclusie juist dat het inrasteren de enige methode is die de doelstellingen wel haalt?

Aanvullend stellen de faunabeheereenheden voor om –ter vermindering van de populatie- en schadedruk- voor ieder mannelijk dier … zoveel hindes te doden dat de geslachtsverhouding ongewijzigd blijft. (p. 66) De schrijvers zijn verder duidelijk dat de jonge mannetjes de problemen veroorzaken en de hindes niet.

4. In het faunabeheerplan is geen enkele onderbouwing te vinden hoe het schieten van de hindes zich vertaalt in minder schade aan de verkeersveiligheid of de landbouw. Waarom moeten de hindes, die geen schade veroorzaken, worden geschoten?

Onze technische vraag naar de streefstand wordt namelijk beantwoordt met: “De gewenste stand is dus de stand waarbij het doel wordt bereikt (minimale schade).” Er is dus geen streefstand opgenomen in het faunabeheerplan.
Onze technische vraag naar de beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie van de betrokken dieren alsmede de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen wordt beantwoord met “Nav het extern advies van TAUW/INBO is de draagkrachtberekening uit het faunabeheerplan gehaald. ... Aangezien het beheer niet wordt gestoeld op de ecologische draagkracht van het gebied is het berekenen van de draagkracht niet nodig.” Er is dus geen beschrijving van het voedselaanbod opgenomen in het faunabeheerplan.
Onze technische vraag naar de onderbouwde verwachting van het aantal aanrijdingen wordt beantwoord met: “Op de pagina’s 7, 8, 32, 37 en 53 wordt de verwachting uitgesproken dat zonder beheer de schade verder zal toenemen.” Er staat dus geen verwacht aantal aanrijdingen bij het uitblijven van afschot in het faunabeheerplan.
De antwoorden op de drie vragen verstrekken onzes inziens niet de gegevens die (volgens artikel 10 van het besluit faunabeheer) het faunabeheerplan dient te bevatten.

5. Hoe kunt u volhouden dat het faunabeheerplan aan de wet voldoet als er minimaal 3 vereisten die voortvloeien uit de wet niet aan de orde komen?


Artikel 10 besluit faunabeheer
Het faunabeheerplan bevat ten minste de volgende gegevens:
d. een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer van de in onderdeel c bedoelde diersoorten, waaronder een onderbouwde verwachting van de belangen als bedoeld in artikel 68, eerste lid, van de wet die zouden worden geschaad indien niet tot beheer zou worden overgegaan;
f. de gewenste stand van de in onderdeel c bedoelde diersoorten;
g. per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de gewenste stand, bedoeld in onderdeel f, te bereiken;
i. voorzover het plan betrekking heeft op het beheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie van de betrokken dieren alsmede de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen;

Antwoorddatum: 31 mrt. 2011

Ons antwoord aan provinciale staten luidt als volgt:


1.
In zoverre dat, het volledig afrasteren van de damherten met een goed functionerend hekwerk de schade goeddeels buiten het leefgebied kan helpen voorkomen. (p. 63) Echter, vanwege knelpunten in fysieke inpasbaarheid en schade aan het hekwerk, is het in de praktijk onmogelijk om het leefgebied volledig af te sluiten. Overigens werpt het volledig omrasteren van het gebied een andere vraag op tafel ten aanzien van het beheer. Het volledig omrasteren van een gebied kleiner dan 5000 ha heeft consequenties voor de wildstatus van de grote hoefdieren die erin leven. Het gaat in dat geval om gehouden dieren, waarvoor de verantwoordelijkheid (o.a. het afrasteren, verzorgen en houden van de dieren) volledig bij de houder van de dieren - in dit geval gemeente Amsterdam - ligt.


2.
Precies om deze reden geeft GS haar goedkeuring aan een gecombineerde inzet van maatregelen, waaronder afschot. Het plaatsen van hekwerk zal zeker op specifieke locaties effect hebben. Echter is het onwaarschijnlijk, dan wel onmogelijk een sluitend hekwerk te plaatsen. De verwachting is dat de populatiegroei de komende jaren verder zal toenemen, de hekwerken doen daar niets aan af. Bovendien heeft het plaatsen van een volledige afrastering rondom het gebied meerdere andere nadelige gevolgen, waarvoor het draagvlak ontbreekt. Het gaat dan onder andere om aantasting van de landschappelijke openheid, een barrière voor andere diersoorten, een ingesloten populatie die een toenemende druk legt op het gebied en beperkte toegang voor het publiek.


3.
Nee, het is een combinatie van maatregelen.


4.
Op pagina 9 van het FBP damhert staat: ‘Daarnaast wordt de groei van de populatie beïnvloed door het afschot van hindes.” Op pagina 14 : De verhouding vrouwelijke dieren (hindes) : mannelijke dieren (herten) in de AWD, berekend op basis van de telgegevens van de afgelopen vijf jaar, is ongeveer 1,4 hinde per hert (1,4 : 1). Op pagina 66: Aanvullend stellen de faunabeheereenheden voor om – ter vermindering van de populatie- en schadedruk- voor ieder mannelijk dier dat in de zone of buiten het leefgebied wordt gedood, zoveel hindes (in het leefgebied) te doden dat de geslachtsverhouding ongewijzigd blijft. Hiermee wordt tevens bereikt dat in de toekomst minder afschot nodig zal zijn. Op pagina 80 is een conclusie uit het INBO advies overgenomen en nogmaals door de opstellers toegelicht: “Indien het de bedoeling is de populatie te stabiliseren of te reduceren, met het oog op een afname van het aantal mannelijke dieren die jaarlijks uittreden, is een afschot van hindes zeker vereist. Gezien de dubbele opzet van het schieten van potentiële probleemdieren (mannelijke dieren die uitzwermen) en het stabiliseren/reduceren van de populatie is de afschot van vrouwelijke dieren, naast de potentieel uitzwermende mannelijke damherten, zeker positief te beoordelen in deze context.”


5.
De wet spreekt niet over een gekwantificeerd aantal, het faunabeheerplan benoemd wel een gewenste streefstand, namelijk de stand waarbij er geen (op enkele niet uit te sluiten incidenten na) aanrijdingen of schade meer aan landbouw optreedt. Dat aantal is pas te kwantificeren na jaren van monitoring (waarbij alle ingezette maatregelen worden meegenomen). De verwachting en conclusie van het faunabeheerplan damherten en de contra expertise is verder dat bij een toenemende populatie (en dus het uitblijven van afschot) de schadegevallen evenredig zullen blijven toenemen. Ook met de te nog plaatsen hekken, zal de populatie blijven groeien en de druk om uit te treden niet verminderen. Daar waar de hekken niet staan, zullen er herten uit blijven treden. Het faunabeheerplan besteedt aandacht aan het voedselaanbod, de relatie van dit voedselaanbod en de populatie damherten en de mogelijkheid tot uitwisseling met aangrenzende terreinen. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat de draagkracht van het gebied geen rem zet op de groei van de populatie (zie faunabeheerplan damherten paragrafen 3.3 en 4.6) en dus impliciet een toename van de hinder betekent (zie boven). Het gaat hierbij niet zozeer om wat het gebied aan kan, maar hoe de populatie zich in relatie tot het voedselaanbod zal ontwikkelen.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer