De echte prijs van de Noord-Hollandse melk


Inleiding

Onderzoeksbureau Quivertree, dat in opdracht van de Nicolaas G. Pierson Foundation onderzoek heeft gedaan naar de externe kosten van de productie van melk, concludeert dat de melkveehouderij jaarlijks miljarden euro’s afwentelt op de samenleving. De voorzichtige berekeningen komen uit op 2,5 (conservatief) of 7,5 miljard (optimaal) euro per jaar. Hierin zijn veel aspecten, waaronder schade aan infrastructuur door bodemdaling en verschillende aspecten op het gebied van dierenwelzijn, niet meegenomen vanwege een gebrek aan betrouwbare data.

Een pak melk kost in de supermarkt gemiddeld € 0,80. Uit dit onderzoek blijkt echter dat de werkelijke prijs veel hoger ligt (25% of 78%). De werkelijke prijs van melk is dus € 1,00 of € 1,42. De (intensieve) melkveehouderij draagt namelijk bij aan klimaatverandering, bodemdaling, biodiversiteitsverlies en schade aan de humane gezondheid. Ook worden er veel subsidies verstrekt aan melkveehouders. Dit zijn allemaal kosten die niet in de prijs van een pak melk zijn doorberekend, maar voor rekening van de belastingbetaler komen.

Uit dit onderzoek blijkt tevens dat deze externe kosten van de melkveehouderij hoger zijn dan de opbrengsten. In 2015 bedroeg de toegevoegde waarde van de melkveehouderij 3,5 miljard, terwijl de aantoonbare externe kosten 2,5 of 7,5 miljard bedragen. Het produceren van melk kost dus meer dan het oplevert.

In Noord-Holland worden op dit moment circa 85.000 koeien gehouden, verdeeld over ruim 1000 melkveebedrijven (CBS). 17 van deze bedrijven vallen onder de definitie van een megastal (250 melkkoeien of meer).[1] Door de afschaffing van het melkquotum vindt er ook in onze provincie een sterke intensivering van de melkveehouderij plaats. Dit betekent meer koeien op stal, maar ook meer schade aan natuur en milieu en een onzekere toekomst voor boeren door een dalende melkprijs. En zoals dit rapport aantoont, zal dat ook leiden tot meer externe kosten, die deels voor rekening komen van de provincie.

Vragen

1. Herkent u de problematiek van externe kosten, zoals die ook door de melkveehouderij worden veroorzaakt?
2. Hoe groot is het aandeel van de Noord-Hollandse melkveehouderij in de Noord-Hollandse economie?
3. Hoeveel procent van het grondoppervlak van Noord-Holland wordt gebruikt door melkveebedrijven?

Klimaatverandering

4. In antwoord op schriftelijke vragen over het aandeel van de veehouderij in klimaatverandering heeft u aangegeven dat de veehouderij in Nederland verantwoordelijk is voor maar liefst 8% van de hoeveelheid broeikasgassen die wordt uitgestoten. Hoeveel procent van de totale hoeveelheid broeikasgassen die in Noord-Holland wordt uitgestoten is afkomstig uit de melkveehouderij?
5. Welke kosten maakt de provincie Noord-Holland om de negatieve effecten van klimaatverandering tegen te gaan?
6. De kap van het regenwoud in Zuid-Amerika voor de productie van soja voor de Noord-Hollandse koeien draagt bij aan klimaatverandering. In de biologische melkveehouderij wordt echter geen soja geïmporteerd waarvoor regenwoud is gekapt. Ook blijkt uit onderzoek van het Landbouw Economisch Instituut dat de biologische melkveehouderij aanzienlijk minder broeikasgassen en ammoniak uitstoot per hectare grond. Onderschrijft u dat de biologische melkveehouderij aanzienlijk minder bijdraagt aan klimaatverandering dan de gangbare, intensieve melkveehouderij? Zo ja, welke conclusies verbindt u daaraan?

Ecosystemen en biodiversiteit

7. De melkveehouderij stoot via de mest van koeien grote hoeveelheden stikstof uit, wat leidt tot schade aan de biodiversiteit. Door de groei van de melkveehouderij neemt de uitstoot van stikstof en de schade aan de natuur die daarvan het gevolg is, toe. Het Planbureau voor de Leefomgeving geeft aan dat, ondanks de PAS maatregelen, de stikstofdepositie op natuur te hoog blijft.
Welke mogelijkheden ziet u om de schaalvergroting in de melkveehouderij en de daarmee gepaard gaande stikstoftoename een halt toe te roepen?

Subsidies

8. Een gemiddelde melkveehouder ontvangt jaarlijks €29.400,- subsidie. Op welke subsidies kunnen Noord-Hollandse melkveehouders aanspraak maken? Hoeveel daarvan wordt betaald vanuit provinciale gelden?

Gezondheid en welzijn

9. Ook voor de aantasting van het welzijn van koeien wordt in de intensieve melkveehouderij een prijs betaald, alhoewel dit onmogelijk in geld is uit te drukken. Zo neemt het percentage weidegang landelijk in rap tempo af, ten gevolge van de intensivering en uitbreiding van melkveebedrijven. In Noord-Holland is het percentage koeien dat in de wei komt relatief hoog. Op welke wijze gaat u zich inspannen om een afname van de weidegang in Noord-Holland te voorkomen?
10. Op biologische en biologisch-dynamische melkveebedrijven gelden strengere dierenwelzijnseisen. Kunt u aangeven hoeveel procent van de melkveebedrijven in Noord-Holland biologisch of biologisch-dynamisch is?
11. Een melkkoe krijgt elk jaar een kalf. Dit kalf wordt vrijwel direct bij de moederkoe weggehaald. Door de provincie Noord-Holland is tevens subsidie verstrekt aan het Louis Bolk Instituut voor onderzoek naar het houden van het kalf bij de koe. Ook heeft u enkele jaren geleden onderzocht of onder Noord-Hollandse boeren animo is voor een dergelijke werkwijze, waaruit bleek dat maar liefst 27% van de gangbare melkveehouders en 52% van de biologische melkveehouders dit niet bezwaarlijk zouden vinden.[4] Op welke wijze heeft u melkveehouders gestimuleerd om het kalf langer bij de koe te laten? Op welke wijze heeft u gevolg gegeven aan de resultaten van dit onderzoek?
12. Gelukkig zijn er inmiddels ook enkele tientallen bedrijven in Nederland die het kalf langer bij de koe laten. Hoeveel bedrijven zijn er in Noord-Holland die het kalf gedurende enkele weken tot maanden bij de koe laten?

Bodemdaling

13. Bodemdaling is een groeiend probleem in de Noord-Hollandse veenweidegebieden, waar het waterpeil kunstmatig laag wordt gehouden ten behoeve van de melkveehouderij. Hoeveel kosten worden jaarlijks in de provincie gemaakt in het tegengaan van bodemdaling en het bestrijden van de negatieve effecten van bodemdaling?
14. Onderschrijft u dat het op de lange termijn onmogelijk zal blijken om in de veenweidegebieden melkveehouderij te bedrijven?

Ook veel boeren hebben het op dit moment economisch gezien moeilijk. Met name de gangbare bedrijven die sterk zijn gegroeid na de afschaffing van het melkquotum hebben het financieel zwaar. Gangbare melkveehouders krijgen namelijk door het stijgende aanbod nog maar € 0,29 voor een liter melk. Bij biologische melk ligt de literprijs op dit moment echter op € 0,52, en voor biologisch-dynamische melk wordt zelfs € 0,71 betaald.

15. Erkent u dat veel gangbare melkveehouders het moeilijk hebben met de huidige literprijs van €0,29?
16. Onderschrijft u dat de afschaffing van het melkquotum een negatief effect op de melkprijs heeft?
17. Deelt u de mening dat een verduurzaming van de melkveehouderij zal leiden tot het minimaliseren van de externe kosten, beter dierenwelzijn en een betere melkprijs voor de boer?
18. Beschouwt u de (gangbare) melkveehouderij als een economisch gezonde sector? Zo ja, op welke bronnen baseert u dat?

[1] In 2013 heeft Alterra berekend dat er in Noord-Holland 13 megastallen waren (bedrijven met 250 melkkoeien of meer). Inmiddels heeft de provincie een aantal nieuwe Natuurbeschermingswetvergunningen verleend voor de uitbreiding van melkveebedrijven, waaronder 4 megastallen.

Antwoorddatum: 20 apr. 2016

1. Ja, het is evident dat de voedselproductie een milieubelasting geeft. Daarom zetten Europa, Rijk, provincie en het bedrijfsleven gezamenlijk in op de verduurzaming van de landbouw vanuit de drie P’s Planet, People en Profit. De problematiek van externe kosten komt niet alleen in de melkveehouderij voor, maar ook in andere economische sectoren.
2. De melkveehouderij valt onder de categorie graasdierbedrijven. Het aandeel van de graasdierbedrijven bedroeg in 2013 ongeveer 0,17% van het Noord-Hollandse Bruto Binnenlands Product (BBP)1 . Het gaat hierbij alleen om de primaire sector, Noord-Holland is juist heel sterk in de totale keten van agribusiness. De primaire schakel in de keten is wellicht klein maar onmisbaar voor het behoud van de totale agribusiness keten.
3. Er wordt volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek 29,2% van het totale oppervlak van Noord-Holland gebruikt door veehouderijbedrijven, waaronder melkveebedrijven (grasland en groenvoedergewassen).

Klimaatverandering

4. Er zijn ons geen specifieke gegevens over de melkveehouderij in Noord-Holland bekend.
5. Ter voorkoming van de negatieve effecten van klimaatverandering zetten we in op de transitie naar een duurzame energievoorziening, op een circulaire economie en op het verduurzamen van vervoer en mobiliteit. Voor de begroting bij de Beleidsagenda Energietransitie verwijzen wij naar de bijbehorende Uitvoeringsparagraaf die wij uw Staten toestuurden na vaststelling in ons College op 8 maart 2016. Aan voorstellen voor de twee andere pijlers van het programma ‘Transitie energie en grondstoffen’ werken wij op dit moment. Daarnaast zet de provincie in op de transitie naar een duurzame landbouw.
6. Ja. Wij zien de biologische landbouw (inclusief de biologische melkveehouderij) als kraamkamer van inzichten en technieken die ook kunnen bijdragen aan de verduurzaming van de gangbare landbouw. Daarom hebben wij in het coalitieakkoord aangegeven dat we ons richten op het verkleinen van het verschil tussen biologische en gangbare landbouw.

Ecosystemen en biodiversiteit

7. De stikstofdepositie heeft geen directe relatie met schaalvergroting, maar is afhankelijk van de locatie van de veehouderij ten opzichte van het voor stikstof gevoelig natuurgebied. Door middel van de PAS en het daarbij behorende pakket aan natuurherstelmaatregelen worden negatieve effecten van (de toename van) stikstofdepositie voorkomen. De maatregelen van de PAS worden gezamenlijk door het Rijk en provincies uitgevoerd. Daarnaast heeft het Rijk met de landbouwsector een convenant afgesloten waarin generieke afspraken zijn gemaakt om de stikstofuitstoot te verminderen.

Subsidies

8. Er zijn subsidies op Europees, landelijk en provinciaal niveau waar de melkveehouder aanspraak op kan maken. Hieronder volgen enkele actuele subsidies:

Europese subsidies: Subsidie vanuit het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB) valt uiteen in vijf onderdelen:
- Garantieregeling landbouw (provinciale bijdrage 0%)
- Hectaretoeslag Europees Landbouwgarantiefonds (provinciale bijdrage 0%)
- Vergroeningspremie Europees Landbouwgarantiefonds (provinciale bijdrage 0%)
- Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL) (provinciale bijdrage 50%)
- Regeling voor Jonge landbouwers (provinciale bijdrage 50%)

Daarnaast zijn er generieke subsidieregelingen voor het MKB gericht op bijvoorbeeld innovatie, energiebesparing en milieu, waar ook melkveebedrijven gebruik van kunnen maken.

Gezondheid en welzijn

9. Het wel of niet toepassen van weidegang is een ondernemerskeuze. De provincie heeft hierin geen verantwoordelijkheid of bevoegdheid. Het Rijk stimuleert melkveehouders met een vergoeding voor weidegang en heeft hiervoor € 4 miljoen beschikbaar gesteld uit de nationale envelop Europese middelen. Overigens komen stimulansen om weidegang te behouden, ook uit de markt. De zuivelsector heeft instrumenten, zoals weidepremie, in handen om weidegang te bevorderen. In Noord-Holland stimuleert bijvoorbeeld Cono Kaasmakers haar melkveehouders. Een goede kavelstructuur levert hier ook een bijdrage aan.
10. Ongeveer 7,5% van de melkveebedrijven in Noord-Holland is gecertificeerd met het Skal keurmerk.
11. Het Louis Bolk instituut heeft uit een algemene provinciale subsidieregeling voor verduurzaming van de landbouw een subsidie gekregen voor het uitvoeren van het door de sector geïnitieerde onderzoek. Het is aan de sector om iets met de resultaten te doen. De provincie heeft hierin geen taak of verantwoordelijkheid.
12. Daarover hebben wij geen informatie beschikbaar.

Bodemdaling

13. Bodemdaling is een autonoom proces en is niet één op één te koppelen aan de melkveehouderij. Het is nagenoeg onmogelijk om deze kosten in beeld te brengen, omdat veel maatregelen niet specifiek bedoeld zijn voor het bestrijden van de negatieve effecten van bodemdaling en het daardoor zeer diffuus is welke maatregelen wel/niet zouden moeten worden meegeteld. Het tegengaan van bodemdaling is één van de speerpunten in het programma Westelijke Veenweiden. Met de financiering van het Rijk zijn in dit kader projecten in Noord-Holland van start gegaan in het Wormer- en Jisperveld, Zeevang, de Kalverpolder en in Westzaan.
14. Nee, de mogelijkheden voor het bedrijven van de melkveehouderij zijn afhankelijk van meer factoren. De afweging en de keuze van de bedrijfsvoering zijn aan de ondernemer.
15. Wij vernemen dat veel bedrijven in Nederland het momenteel moeilijk hebben. De situatie van individuele bedrijven is afhankelijk van hun financiële positie en ontwikkelingen van de wereldeconomie.
16. Nee, de huidige melkprijs is een resultaat van verschillende factoren, waaronder het verdwijnen van het melkquotum.
17. Wij zijn het deels met u eens. Ja, verduurzaming van de melkveehouderij kan een bijdrage leveren aan het milieu, de natuur en dierenwelzijn. Nee, het effect op de melkprijs is afhankelijk van meerdere factoren. Zie het antwoord op vraag 16.
18. Ja, wij beschouwen de melkveehouderij als een economisch gezonde sector, die – evenals andere economische sectoren – beïnvloed wordt door de economische conjunctuur.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer