Vragen met betrekking tot de infor­matie- voor­ziening over muskus­rat­ten­be­strijding


24 mei 2007

Vragen gesteld op 24 mei 2007, door het lid van de Provinciale Staten, de heer P. van Poelgeest aan Gedeputeerde Staten:

Inleiding
In een presentatie over de muskusrattenbestrijding op 14 mei jl. voor de commissie WAMEN werd onder meer gezegd dat:
* de muskusratten die geboren worden in het vroege voorjaar in het najaar zelf al jongen krijgen
* volwassen muskusratten vier keer per jaar jongen krijgen
* als de commissieleden meer wilde weten over de muskusrattenbestrijding de commissieleden zeker de film over de bestrijding op de DVD over B&U moesten bekijken.

Na de presentatie kregen de commissieleden de DVD overhandigd, met daarop onder meer een film over de muskusrattenbestrijding, gemaakt door Bonovox producties. Op haar site geeft Bonovox producties aan dat de film is bedoeld om “politici voor te lichten over de ernst en omvang van de problematiek”. In de film wordt onder meer gezegd:
* “twee muskusratten van verschillende sekse in het voorjaar betekent ongeveer 30 muskusratten in het najaar.” Even later wordt 20 à 30 dieren per familie genoemd.
* muskusratten krijgen drie à vijf worpen met zes à acht jongen per jaar

Uit het overdrachtsdossier van GS blijkt dat het college in 2005 heeft besloten om de muskusratten-bestrijding te intensiveren omdat:
“De muskusratten zijn een bedreiging voor de waterkeringen en daarmee een bedreiging voor de veiligheid van de burgers.”

Wij constateren dat er een verkeerd beeld van de muskusratten wordt gegeven. In de quickscan van het nut en de noodzaak van de muskusrattenbestrijding (Alterra rapport no. 1197 uit 2005) staat dat een muskusrat:
* gemiddeld drie maal jongen per jaar krijgt
* per worp gemiddeld zes jongen worden geboren.
Deze cijfers wijken af van hetgeen de commissieleden is verteld.
* Slechts 5% van de vrouwtjes brengen hetzelfde jaar nogmaals jongen voort.
Deze 5% is een duidelijke nuancering van de algemene uitspraak dat muskusratten geboren in het vroege voorjaar al jongen voortbrengen in het najaar.

Het Rijksinstituut voor Natuurbeheer (RIN) schreef in het rapport “ Verspreidings- en Verplaatsingspatronen van Muskusratten” (1991) op basis van veldonderzoek dat de neststerfte van muskusratten ruim 50% is. Het RIN concludeerde op basis van die gegevens dat de vuistregel: “een paartje muskusratten in het voorjaar zijn er 20 (of 25) in de herfst”, die in kringen van bestrijders nogal eens wordt genoemd, niet opgaat.

Het moge duidelijk zijn dat de uitspraak op de DVD in flagrante tegenspraak is met wat wetenschappers al in 1991 concludeerden. Dit gaat ons inziens verder dan het ‘selectief winkelen’ in feiten omtrent de muskusrat. Wij vinden het niet correct wèl het aantal geboren jongen (of een overdrijving daarvan) te noemen, zonder dat te nuanceren door de even indrukwekkende nestmortaliteit te vermelden, dan wel de predatiedruk en sterfte door ziekte (samen goed voor een mortaliteit van 55% onder de volwassen dieren). Het is buitengewoon onjuist om vuistregels die onwaar zijn, als waarheden te presenteren. Voorts missen wij aandacht voor het onderzoek naar het nut en de noodzaak van de muskusratten-bestrijding. In onze ogen is dit een onderzoek naar de rechtvaardigheidsgronden van de bestrijding. De rechtvaardigheid van de bestrijding, evenals het nut en de noodzaak, staan ter discussie en zijn geen uitgemaakte zaak zoals wordt gesuggereerd.



Vragen:

1. Hoe oordelen GS over de informatie die aan de Commissies WAMEN, ROG en WVV werd verstrekt en die niet strookt met het rapport van het RIN uit 1991? Delen GS onze opvatting dat hier sprake is van het verkeerd voorlichten van volksvertegenwoordigers?

2. Wat gaan GS ondernemen om verdere verspreiding van onjuiste of ongenuanceerde beweringen vanuit de provincie tegen te gaan?

3. Wat gaan GS ondernemen om de onjuiste en ongenuanceerde beweringen te corrigeren?

4. Hoe zien GS het lopende onderzoeksprogramma naar de nut en noodzaak van de muskusratten-bestrijding, zoals gestart door de bestuurlijke commissie muskusrattenbestrijding? Betreft het hier alleen een onderzoek naar de beste wijze van bestrijding of betreft het eveneens een onderzoek naar de rechtvaardigheidsgronden van de bestrijding?


Gedeputeerde Staten zullen de gestelde vragen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 30 dagen na binnekomst, beantwoorden.

Blijf op de hoogte van het laatste nieuws

    Abonneer op de nieuwsbrief