Staten­vragen inzake vogel­richt­lijn­gebied Abtskolk en de Putten


13 november 2007

Statenvragen inzake vogelrichtlijngebied Abtskolk en de Putten

VRAGEN NR. 93

Aan de leden van Provinciale Staten van Noord-Holland

Haarlem, 9 november 2007

Onderwerp: Vragen van P. van Poelgeest (PvdD)

De voorzitter van Provinciale Staten van Noord-Holland deelt u overeenkomstig het bepaalde in artikel 45 van het Reglement van Orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van Provinciale Staten mede, dat op 8 november 2007, door het lid van Provinciale Staten, de heer P. van Poelgeest de volgende vragen bij Gedeputeerde Staten zijn ingekomen.

Inleiding

In de Leipolder, onderdeel van het vogelrichtlijngebied “Abtskolk en de Putten,” zijn in opdracht van Natuurmonumenten door de Dienst Landelijke gebied (DLG) recentelijk graafwerkzaamheden uitgevoerd ten behoeve van natuurontwikkeling door de vorming van een zilte vegetatie.
De werkzaamheden hebben tot de nodige ophef geleid bij omwonenden en de Faunabescherming die wijzen op de aantasting van het leefgebied van de zeer zeldzame dwerggans en de cultuurhistorische waarden van de Leipolder.
In het gebied overwintert jaarlijks een significant deel van de dwergganzen in Nederland. Toch veronderstelden Natuurmonumenten, de provincie Noord-Holland en de Dienst Landelijk Gebied dat er geen sprake is van een significante ingreep met betrekking tot het voorkomen van de dwerggans omdat er voldoende gras in de omgeving aanwezig zou zijn.
De Raad van State heeft inmiddels beslist dat de graafwerkzaamheden stilgelegd dienen te worden en dat verder onderzoek naar het foerageergedrag van dwergganzen in het gebied dit najaar en komende winter wenselijk is.

Vragen

1.

Verwacht u dat het onderzoek naar het foerageergedrag van de dwerggans in één jaar kan worden afgerond?

2.
De omstandigheden die de gans in de winter aantreft kunnen sterk verschillen van jaar tot jaar. Bovendien behoort de dwerggans wereldwijd tot een van de meest bedreigde ganzensoorten. Indien u het onderzoek in een jaar hoopt af te ronden, hoe denkt u te voorkomen dat de conclusies uit het onderzoek teveel beïnvloed zijn door de omstandigheden van dat jaar?

In het Sovon rapport “Pleisterplaatsen van Dwergganzen (Anser erythropus) in Nederland komt naar voren dat de eerste exemplaren wintergasten jaarlijks rond eind september worden waargenomen. Het onderzoeksrapport van Altenburg en Wymenga, dat de provincie in verband met de Natuurbeschermingswetvergunning heeft laten maken, gaat uit van werkzaamheden in de Leipolder die tot 1 oktober duren. De provincie heeft echter een vergunning verleend die tot 15 oktober geldig is.

3.
Bent u van mening dat aantasting van één van de winterkwartieren van de dwerggans dit van invloed zou kunnen zijn op het leefpatroon van andere populaties dwergganzen die jaarlijks in Nederland overwinteren? Zo neen, waarom niet?

4.
Waarom heeft de provincie de vergunning verleend tot 15 oktober, terwijl het rapport van het adviesbureau uitgaat van werk tot 1 oktober?

5.
Is het de provincie bekend dat er al jarenlang twee scenario's voor een uitbreiding van de zilte vegetatie bestaan, namelijk een eenvoudige en goedkope methode door middel van het verhogen van de waterstand met 10 cm en een kostbare methode door het afgraven van 10 tot 30 cm poldergrond? Waarom is voor de laatste methode gekozen?

6.
De opkomende vegetatie op de locaties waar de inrichtingswerkzaamheden ten behoeve van natuurontwikkeling zijn stilgelegd bestaat voornamelijk uit gras, zuring en distels en kan dus allerminst zilt genoemd worden. Draagt deze ontwikkeling bij aan de realisatie van de natuurdoelen uit het Provinciaal Natuurgebiedplan en past dit binnen het inrichtingsplan welke Natuurmonumenten en de provincie met dit gebied voor ogen heeft?

7.
Is deze opkomende vegetatie aanleiding voor de provincie om de vergunning nader in overweging te nemen?

Naar onze informatie heeft DLG schriftelijk aan de Raad van State laten weten dat het werk stil zou blijven liggen tot het oordeel van de Raad van State in de tweede zitting bekend zou zijn. Tijdens die tweede zitting bleek het werk echter tot op dat moment gewoon voortgezet te worden.

8.
Is de provincie hier tekort geschoten in haar controlerende en handhavende taken?

9.
Zal in de toekomst gecontroleerd worden op een eventuele voortzetting van het werk en handhavend worden opgetreden als het werk wordt voortgezet?

Gedeputeerde Staten zullen de gestelde vragen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 30 dagen na binnenkomst, beantwoorden.

Blijf op de hoogte van het laatste nieuws

    Abonneer op de nieuwsbrief