Partij voor de dieren vraagt ophel­dering; Provincie laat damherten afschieten


15 februari 2008

Haarlem, 14 februari 2008. De Partij voor de Dieren wil van de Provincie Noord-Holland weten waarom de Faunabeheereenheid toestemming heeft gekregen om damherten af te schieten in de duingebieden. De partij vindt de redenen zoals die in een vier jaar oud plan staan ongefundeerd en achterhaald. Het doden van damherten helpt niemand: niet de boeren, niet de honderdduizenden bezoekers van de duingebieden en ook niet de verkeersveiligheid.

De provincie meent dat afschot noodzakelijk is om landbouwschade en verkeersongelukken te voorkomen. Dit staat in het faunabeheerplan uit 2004, waarvan de geldigheid onlangs met een jaar is verlengd. Volgens de Partij voor de Dieren is er in de afgelopen jaren nagenoeg geen landbouwschade gemeld. Sinds er een groot hek bij de Amsterdamse Waterleidingduinen langs de Zandvoortselaan is geplaatst, zijn daar geen ongelukken met damherten meer gebeurd. Onlangs heeft Waternet, de beheerder van de Amsterdam Waterleidingduinen, het advies gegeven in dat gebied voorlopig niet op damherten te schieten. Dat advies is door de gemeente Amsterdam overgenomen. De provincie staat hierdoor in haar opvatting lijnrecht tegenover de gemeente Amsterdam, die haar standpunt –in tegenstelling tot de provincie- baseert op een wetenschappelijk rapport.

De toestemming om te schieten geldt overigens niet alleen voor damherten. Ook duizenden andere dieren, zoals ganzen, vossen, reeën, zwanen en meerkoeten, zullen in 2008 door de Faunabeheereenheid worden gedood. De Partij voor de Dieren betwijfelt de noodzaak en de wijze waarop in 2008 met deze dieren wordt omgegaan, maar de verbazing over het afschot van de damherten is het grootst.

De Partij voor de Dieren vraagt aan Gedeputeerde Staten (het dagelijks bestuur van de provincie) waarom de afschotvergunning in werkelijkheid wordt gegeven; de formele reden acht de fractie onwaarschijnlijk. Een hek blijkt immers voldoende om ongelukken met damherten te voorkomen. De vrees is dat de vergunning alleen is gebaseerd op het oude “jagersplan”. De partij vraagt naar de onderbouwing van het afschot met recente cijfers en schadebedragen.

Statenvragen:

Gewijzigde versie

Aan de leden van Provinciale Staten van Noord-Holland

Haarlem, 14 februari 2008

Onderwerp: Vragen van de heer P. van Poelgeest (PvdD)

De voorzitter van Provinciale Staten van Noord-Holland deelt u overeenkomstig het bepaalde in artikel 45 van het Reglement van Orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van Provinciale Staten mede, dat op 14 februari 2008, door het lid van Provinciale Staten, de heer P. van Poelgeest, de volgende vragen bij Gedeputeerde Staten zijn ingekomen.

Inleiding

Het is verboden damherten dood te schieten. Om een ontheffing van dat verbod te verlenen moeten er ‘goede redenen’ zijn. Anders gezegd, een reden voor afschot moet ‘goed’ zijn, waarmee bedoeld wordt dat er schade wordt voorkomen aan erkende belangen, en een reden voor afschot moet waar zijn, waarmee bedoeld wordt dat de schade ook daadwerkelijk zal optreden.
Ondanks de sterk gewijzigde situatie in het gebied waar damherten in Noord-Holland voorkomen heeft Gedeputeerde Staten het Faunabeheerplan Damhert met een jaar verlengd. Impliciet geeft Gedeputeerde Staten daarmee aan dat er ‘goede redenen’ zijn om damherten dood te schieten. Op basis hiervan is zelfs een ontheffing verleend van artikel 68 van de Flora en Faunawet (staatscourant 24-1-2008). Hierover wil ik enkele vragen stellen.
Voor de goede orde merk ik op dat op dit moment niet geclaimd wordt dat er problemen zijn vanwege de populatie buiten de Amsterdamse Waterleidingduinen. De argumentatie voor afschot voor de populatie buiten de AWD is dat men de problemen zoals in de AWD wil voorkomen. In de AWD zelf meent men geen probleem te hebben.

Vragen

1.
U antwoordt op mijn eerdere vraag (vraag 9 van 27-11-2007) dat landbouwschade een reden is voor afschot. Tegelijkertijd geeft u aan dat er weinig schadecijfers bekend zijn. De reden voor het ontbreken van een schadehistorie is volgens u, dat boeren geen schade claimen omdat claims niet in aanmerking komen voor vergoeding. Dit zou een goede verklaring kunnen zijn waarom er geen schadehistorie is, maar dat is geen vervanging voor een schadehistorie.
Kunt u aangeven hoe groot de landbouwschade veroorzaakt door damherten is? Als u dit niet kunt, op basis waarvan is er dan ontheffing van afschot van damherten gegeven om landbouwschade te voorkomen?

2.
De draagkracht van een gebied is een begrip waarmee wordt uitgedrukt hoeveel dieren er van een bepaalde soort binnen een bepaald gebied met gegeven randvoorwaarden kunnen overleven. Voor elke populatie kan, zij het erg moeilijk en met grote onzekerheid, een gebiedsdraagkracht worden bepaald. U antwoordt op de vraag waaraan ik eerder refereerde (vraag 9 van 27-11-2007), dat de draagkracht van het gebied een reden is voor afschot.
Het is mij niet duidelijk hoe draagkracht een ‘goede reden’ voor afschot kan zijn.
Kunt u aangeven waarom draagkracht van het gebied een reden voor afschot kan zijn, hoe is aangetoond dat overschrijding van de draagkracht voor damherten in dit gebied van toepassing is en wat de juridische status van dit argument is, terwijl draagkracht niet als reden voor afschot in het faunabeheerplan wordt genoemd?

3.

Ook antwoordt u op mijn eerder genoemde vraag dat de verkeerveiligheid een reden is voor afschot. Bij vraag 11 van 27-11-2007 gaat u echter niet in op de statistische en causale relatie tussen populatiegrootte en verkeersveiligheid, zoals beschreven in het faunabeheerplan. In dit plan wordt geen rekening gehouden met barrières en de relatie verkeerveiligheid-populatiegrootte is gebaseerd op weinig data. In dit kader wijs ik op het hekwerk dat inmiddels langs de Zandvoortselaan staat en nu al een groot effect heeft op de verkeerveiligheid. Nieuwe cijfers van de politie laten zien dat de simpele 1 op 1 relatie tussen populatiegrootte en verkeerveiligheid, zoals in het faunabeheerplan staat geformuleerd, onjuist is.
Hoe betrouwbaar is naar uw inzicht de onderbouwing van de relatie populatiegrootte en verkeerveiligheid (zowel statistisch als causaal), zoals geformuleerd in het faunabeheerplan? En hoe verklaart u de inschatting van de verkeerveiligheid door de gemeente Amsterdam?

4.
Voedselcompetitie tussen damhert en ree lijkt een sluimerend argument voor afschot. Voedselcompetitie wordt nooit als ‘goede reden’ benoemd, maar de suggestie dat dit een valide argument zou zijn is voortdurend aanwezig. In antwoord op mijn vraag 14 van 27 november 2007 schrijft u dat grote jongedierensterfte onder reeën deels toe te schrijven zou zijn aan de damhertenstand en dat er geen reden is om te twijfelen aan deze expert judgements.
Het rapport “Beheer van damherten in de Amsterdamse waterleidingduinen” geeft echter een ander beeld: “Duidelijke aanwijzingen voor een rol van het damhert bij de stabilisatie zijn er niet, maar het effect kan niet worden uitgesloten. Dat effect is, zo al aanwezig, in ieder geval kleiner dan de invloed van predatie.” “Een echt oorzakelijk verband (tussen het toenemend aantal damherten en het aantal reeën, PvP) kan niet worden aangetoond.” De overlap in spijsverteringsfysiologie zoals beschreven in het faunabeheerplan leidt volgens bovengenoemd rapport niet noodzakelijk tot het verdwijnen van het ree.
Is het mogelijk dat verdwijnen van het ree voor Gedeputeerde Staten een goede reden is voor afschot?
Zijn Gedeputeerde Staten het met mij eens dat in het licht van het commentaar van voornoemd rapport de argumentatie in het faunabeheerplan op zijn minst onvolledig is?


5.
In antwoord op vraag 19 van 27 november 2007 meent u dat terreinbeheerders, onderzoekers en het faunafonds bij het uitblijven van populatiebeheer ‘schade aan ecologie’ verwachten. Onderbouwing daarvoor wordt echter niet gegeven en dat is jammer, omdat de tegenovergestelde mening eveneens aanwezig is, zowel onder terreinbeheerders als onder onderzoekers. Uit het eerder genoemde rapport van Waternet: “Doordat het dichtgroeien van open duinhabitats met houtige soorten en ruige grassen als groot probleem wordt gezien bij de instandhouding ervan, is de aanwezigheid van damherten eerder positief dan negatief te noemen.” In de gebieden waar damherten voor komen achten de beheerders diverse begrazingsprojecten noodzakelijk.
Bent u het met mij eens dat het grazende damhert juist een positief effect heeft op het behalen van de gewenste natuurdoelen? Zo neen, kunt u aantonen dat het graasgedrag van het damhert significant minder bijdraagt aan de natuurdoelen dan het graasgedrag van de diverse dieren in de begrazingsprojecten?

6.

In antwoord op vraag 19 van 27 november 2007 merkt u op dat “schade aan ecologie” niet genoemd staat in het faunabeheerplan. Dat was mij eveneens opgevallen en het verbaast mij daarom deze ‘goede reden’ voor afschot wel tegen te komen in de memo (9-10-2007; C-agenda Natuur CI-5)). Dit geldt eveneens voor de draagkracht van het gebied als ‘goede reden’.
Bent u het met mij eens dat er geen juridische status aan deze ‘goede redenen’ kan worden toegekend en zo ja, waarom worden deze ‘goede redenen’ dan wel genoemd?

7.

Zijn er nog meer ‘goede redenen’ die een rol spelen bij de overwegingen van Gedeputeerde Staten in deze kwestie en die nog niet zijn genoemd? En wat is daarvan de onderbouwing?

8.

Sinds het schrijven van het faunabeheerplan is er veel veranderd en bekend geworden over de populatie damherten in Noord-Holland. De noodzaak tot afschot staat om diverse redenen ter discussie. Ik vind een verwijzing naar het faunabeheerplan Damhert in een aanvraag voor een ontheffing als onderbouwing van de noodzaak tot afschot volstrekt onvoldoende. Er is op zijn minst nadere onderbouwing noodzakelijk in relatie tot zowel landbouwschade als verkeerveiligheid.
Bent u van mening dat geen enkele ontwikkeling in de jaren sinds het schrijven van het faunabeheerplan heeft geleid tot een nuancering van hetgeen wordt beweerd in het FBP? En zo ja, waarom heeft dit niet geleid tot een andere beslissing inzake het verlenen tot een ontheffing voor het doden van deze dieren?

Gedeputeerde Staten zullen de gestelde vragen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 30 dagen na binnenkomst, beantwoorden.

Blijf op de hoogte van het laatste nieuws

    Abonneer op de nieuwsbrief