Eerste herziening Omge­vings­ver­or­dening NH2022


13 juni 2022

In Artikel 2.11 is toegevoegd dat ten minste in het bestuur van de faunabeheereenheid moet zijn vertegenwoordigd: e. een deskundige op het gebied van dierenwelzijn en diergedrag.

En in de toelichting op dit artikel valt het volgende te lezen:

“Bij het besluit van Gedeputeerde Staten over het Faunabeheerplan Damherten 2020-2026 op 20 oktober 2020 is in de brief aan Provinciale Staten toegelicht dat verkend zou worden of een extra zetel voor een dierenwelzijnsorganisatie haalbaar en wenselijk is. De Faunabeheereenheid Noord-Holland is hierover geïnformeerd.”

Dus:

Er zou verkend worden of er plaats zou zijn voor een vertegenwoordiger van de BELANGEN van dieren, niet een deskundige op dat gebied, laat staan een kenner van diergedrag. Anders kunnen we Jan van Hooff ook vragen, of Freek Vonk voor de jongeren onder ons…

Dit alles zou mijn fractie graag gespecificeerd zien, anders overwegen wij t.z.t. met een amendement daaromtrent te komen. Maar wellicht kan de Gedeputeerde onze zorgen hieromtrent wat verzachten in zijn beantwoording.

Overigens zien we dit, mits dus beter gespecificeerd, wel als een meerwaarde an sich. We zijn dus niet tegen, maar zien de invulling liever iets anders.

En is het dan aan het bestuur van de faunabeheereenheid om deze persoon te selecteren? Daar hebben wij toch ook wel bedenkingen bij.

Dan over artikel 6.92 en 6.92a over de Rangorde bij waterschaarste regionale wateren. Het is een mooie stap dat er nu een rangorde is, maar:

In artikel 6.92 sluit natuur, voor zover het niet gaat om het voorkomen van onomkeerbare schade, de rij, wat in een tijd waarin zij steeds meer onder druk staat toch wel wat verbazing opwekt.

Vraag: Waarom is ervoor gekozen om natuur pas als allerlaatste aan de beurt te laten komen in het geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort in het werkingsgebied regionale verdringingsreeks AGV? Is het besproeien van een sportveld of mais voor veevoer daadwerkelijk van groter maatschappelijk belang?

In art. 6.92a wordt natuur zelfs helemaal niet genoemd. We gaan er gemakshalve dan maar van uit dat zij onder de categorie ‘overige belangen’ valt. En u raadt het al: ook in het IJsselmeergebied draagt deze categorie de spreekwoordelijke rode lantaarn.

De bij het opstellen van deze rangorde geraadpleegde ‘stakeholders’ (wanneer gaan we dat overigens weer gewoon belanghebbenden noemen?) blijken de drinkwaterbedrijven en de LTO.

Vraag: waarom altijd alleen maar weer LTO als het over agrarisch Noord-Holland gaat? Is het niet mogelijk om ook eens aan bijvoorbeeld BioNext te denken: Biologisch landbouw houdt immers water vast, waar regulier het doorgaans zo snel mogelijk laat wegstromen.

Uit de antwoorden op onze technische vragen blijkt verder dat de natuurorganisaties in 2018 al betrokken geweest zijn.

Daar heb ik ook een vraag over: Is dat een eenmalige exercitie geweest of is hier sprake van een continue proces, waarbij zij op regelmatige basis inbreng kunnen leveren?

Afsluitend wil ik nog wel even een compliment geven voor de snelheid waarmee onze motie over het voorkomen van faunaslachtoffers bij windenergie is verwerkt.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer