Muskus­rat­ten­be­strijding


VRAGEN NR. 42

Aan de leden van Provinciale Staten van Noord-Holland

Haarlem, 26 juni 2007

Onderwerp: Vragen van P. van Poelgeest (PvdD)

De voorzitter van Provinciale Staten van Noord-Holland deelt u overeenkomstig het bepaalde in
artikel 45 van het Reglement van Orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van
Provinciale Staten mede, dat op 24 mei 2007, door het lid van Provinciale Staten, de heer P. van
Poelgeest de volgende vragen bij Gedeputeerde Staten zijn ingekomen.

Inleiding
In een presentatie over de muskusrattenbestrijding op 14 mei jl. voor de commissie WAMEN
werd onder meer gezegd dat:

de muskusratten die geboren worden in het vroege voorjaar in het najaar zelf al jongen krijgen
volwassen muskusratten vier keer per jaar jongen krijgen
als de commissieleden meer wilden weten over de muskusrattenbestrijding, de commissieleden zeker de film over de bestrijding op de DVD over B&U moesten bekijken.

Na de presentatie kregen de commissieleden de DVD overhandigd, met daarop onder meer een
film over de muskusrattenbestrijding, gemaakt door Bonovox producties. Op haar site geeft
Bonovox producties aan dat de film is bedoeld om “politici voor te lichten over de ernst en
omvang van de problematiek”. In de film wordt onder meer gezegd:

  • “twee muskusratten van verschillende sekse in het voorjaar betekent ongeveer 30 muskusratten in het najaar.” Even later wordt 20 à 30 dieren per familie genoemd.
  • muskusratten krijgen drie à vijf worpen met zes à acht jongen per jaar

Uit het overdrachtsdossier van GS blijkt dat het college in 2005 heeft besloten om de muskusrattenbestrijding te intensiveren omdat:
“De muskusratten zijn een bedreiging voor de waterkeringen en daarmee een bedreiging voor de
veiligheid van de burgers.”

De Partij voor de Dieren constateert dat er een verkeerd beeld van de muskusratten wordt gegeven. In de quickscan van het nut en de noodzaak van de muskusrattenbestrijding (Alterra rapport no. 1197 uit 2005) staat dat een muskusrat:

gemiddeld drie maal jongen per jaar krijgt
per worp gemiddeld zes jongen worden geboren.
Deze cijfers wijken af van hetgeen de commissieleden is verteld.
5% van de vrouwtjes krijgen in hun geboortejaar jongen.
Deze 5% is een duidelijke nuancering van de algemene uitspraak dat muskusratten geboren in het vroege voorjaar al jongen voortbrengen in het najaar.


Het Rijksinstituut voor Natuurbeheer (RIN) schreef in het rapport “Verspreidings- en Verplaatsingspatronen van Muskusratten” (1991) op basis van veldonderzoek dat de neststerfte van muskusratten ruim 50% is. Het RIN concludeerde op basis van die gegevens dat “de vuistregel ’een paartje muskusratten in het voorjaar zijn er 20 (of 25) in de herfst,’ die in kringen van bestrijders nogal eens wordt genoemd, niet opgaat.”

Het moge duidelijk zijn dat de uitspraak op de DVD in flagrante tegenspraak is met wat wetenschappers al in 1991 concludeerden. Dit gaat verder dan het ‘selectief winkelen’ in feiten omtrent de muskusrat. De Partij voor de Dieren vindt het niet correct dat wèl het aantal geboren jongen (of een overdrijving daarvan) genoemd wordt, zonder dat dit genuanceerd wordt met de even indrukwekkende nestmortaliteit, dan wel de predatiedruk en sterfte door ziekte (samen goed voor een mortaliteit van 55% onder de volwassen dieren). Het is buitengewoon onjuist om vuistregels die onwaar zijn, als waarheden te presenteren. Voorts mist de Partij voor de Dieren aandacht voor het onderzoek naar het nut en de noodzaak van de muskusrattenbestrijding. In onze ogen is dit een onderzoek naar de rechtvaardigheidsgronden van de bestrijding. De rechtvaardigheid van de bestrijding, evenals het nut en de noodzaak, staan ter discussie en zijn geen uitgemaakte zaak zoals wordt gesuggereerd.

Vragen

1. Hoe oordelen GS over de informatie die aan de Commissies WAMEN, ROG en WVV werd verstrekt en die niet strookt met het rapport van het RIN uit 1991? Delen GS onze opvatting dat hier sprake is van het verkeerd voorlichten van volksvertegenwoordigers?
2. Wat gaan GS ondernemen om verdere verspreiding van onjuiste of ongenuanceerde beweringen vanuit de provincie tegen te gaan?
3. Wat gaan GS ondernemen om de onjuiste en ongenuanceerde beweringen te corrigeren?
4. Hoe zien GS het lopende onderzoeksprogramma naar het nut en de noodzaak van de muskusrattenbestrijding?
Betreft het hier alleen een onderzoek naar de beste wijze van bestrijding of betreft het eveneens een onderzoek naar de rechtvaardigheidsgronden van de bestrijding?

Antwoorddatum: 25 jun. 2007

Ons antwoord aan provinciale staten luidt als volgt:

1. Mede op initiatief van de provincie Noord-Holland is in 2005 een onderzoeksprogramma opgezet naar de nut en noodzaak van de muskusrattenbestrijding. Directe aanleiding voor dit onderzoek was het rapport uit 2005 ‘Muskusrattenbestrijding in Nederland: een quickscan naar nut, noodzaak en alternatieven’. In deze bureaustudie wordt geconstateerd dat er onvoldoende basisgegevens zijn om tot een goede afweging van alternatieve bestrijdingsstrategieën en –methoden te komen. Er is geen systematisch onderzoek uitgevoerd naar de aard en omvang van de muskusrattenproblematiek. In de onderzoeken die het rapport aanhaalt wordt gesproken van verwachtingen, veronderstellingen en aannames op basis waarvan moeilijk eensluidende conclusies zijn te trekken. Standpunt van ons college is dat de muskusrat moet worden bestreden. In de presentatie tijdens de commissie WAMEN op 14 mei is mede op basis van eigen ervaringen en kennis van de uitvoering van de muskusrattenbestrijding gesproken. Wij zijn van mening dat er geen sprake is van verkeerd voorlichten van de volksvertegenwoordiging, maar kunnen ons voorstellen dat de informatie een verwarrend beeld heeft veroorzaakt. Wij onderstrepen nog een keer dat er anno 2007 voor Nederland onvoldoende basisgegevens m.b.t. de muskusrattenbestrijding beschikbaar zijn. Wij hechten veel waarde aan bovengenoemd onderzoeksprogramma.

2. Het onder antwoord 1 genoemde onderzoeksprogramma wordt uitgevoerd in opdracht van de Landelijke Coördinatie Commissie Muskusrattenbestrijding (LCCM). Het programma wordt naar verwachting begin 2008 afgerond. Inmiddels zijn enkele deelonderzoeken uit het programma gereed gekomen. Wij zullen de resultaten gebruiken om de informatievoorziening waar nodig bij te stellen.

3. Wij houden de commissie WAMEN conform eerdere toezeggingen op de hoogte van de uitkomsten van het onderzoeksprogramma.

4. De provincie Noord-Holland is een van de initiatiefnemers voor het onderzoeksprogramma om kennislacunes te dichten. Besluitvorming over de toekomstige aanpak van de muskusratten, mede op basis het onderzoeksprogramma, is voorzien medio 2008. Het onderzoeksprogramma onderzoekt zowel de nut en noodzaak van de muskusrattenbestrijding als de efficiëntie en de organisatie van de bestrijdingsaanpak. Daarbij is ook aandacht voor preventie en alternatieve bestrijdingsmethoden.

Titel:PS-vraag 42: van Poelgeest over informatie muskusrattenbestrijding
Datum:26-06-2007
Nummer:42

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer