Invloed aalscholver op paling­vangst


VRAGEN NR. 71

Aan de leden van Provinciale Staten van Noord-Holland

Haarlem, 18 september 2007

Onderwerp: Vragen van de heer R. van Oeveren (PvdD)

De voorzitter van Provinciale Staten van Noord-Holland deelt u overeenkomstig het bepaalde in artikel 45 van het Reglement van Orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van Provinciale Staten mede, dat op 27 augustus 2007, door het lid van Provinciale Staten, de heer R. van Oeveren de volgende vragen bij Gedeputeerde Staten zijn ingekomen.

Inleiding
In de Statenvergadering van 25 juni en 2 juli zei gedeputeerde Bond onder meer: “U sprak over een onderzoek waaruit blijkt dat de gekweekte paling de weg naar de Saragossazee niet vindt, terwijl ik beschik over een rapport waaruit blijkt dat het zo bewonderenswaardig is dat dit wel gebeurt.”

Wij hebben erg ons best gedaan om dit betreffende rapport in handen te krijgen, maar zijn daar helaas niet in geslaagd. Het is ons opgevallen dat de deskundigen die wij hierover hebben geraadpleegd eveneens zeer benieuwd zijn naar ondersteuning van de hypothese dat de gekweekte paling de Sargassozee wel degelijk weet te bereiken.
Voor het werkelijk duurzaam kweken van paling moet de kans dat een glasaal via palingkweek tot reproductie komt, 2,5 tot 5 maal zo groot zijn in vergelijking tot de natuurlijke situatie. Want nog steeds zal 60-80% van de gekweekte volwassen palingen worden opgegeten.
De huidige kans op reproductie in de natuurlijke situatie is ook bijzonder laag voor de paling. Dit komt niet alleen door de overbevissing, maar ook door de kunstwerken, die een hindernis vormen voor de vismigratie. Zo bleek uit onderzoek van het hoogheemraadschap Rijnland dat de gemalen van Katwijk en Halfweg belangrijke locaties zijn voor de intrek van glasaal en andere migrerende vissoorten. Bij Katwijk werden tijdens vijf avonden in totaal ruim 15.000 vissen gevangen, waarvan 95% glasaal. Bij Halfweg werden tijdens tien avonden in totaal ruim 62.000 vissen gevangen, waarvan 56% glasaal.
De gemalen lokken dus veel glasaal naar zich toe, maar zijn niet passeerbaar. De aal bereikt derhalve de binnenwateren niet.

Vragen

1. Naar welk rapport refereert gedeputeerde Bond in bovenstaand citaat?

2. Wil de gedeputeerde dit betreffende rapport de staten doen toekomen?

3. Kunt u aantonen dat de gekweekte paling daadwerkelijk een 2,5 tot 5 maal hogere kans op reproductie heeft wanneer het dier als glasaal in een aquacultuur terechtkomt in vergelijking tot de natuurlijk situatie?

4. Bent u het met de Partij voor de Dieren eens dat zonder een dergelijke aantoonbare hogere reproductie er geen sprake kan zijn van duurzame viskweek? Zo neen, waarom niet?

5. Bent u bereid de waterschappen financieel te helpen om vismigratievoorzieningen mogelijk te maken?

In dezelfde vergadering sprak de gedeputeerde eveneens:

“De heer Van Oeveren verwees naar een onderzoek wat ik niet ken, maar er zijn ook andere onderzoeken. Deze maand zullen de uitkomsten van een nieuw onderzoek gepresenteerd worden. Daarbij is daadwerkelijk onderzocht wat de gevolgen zijn voor de visstand van de aanwezigheid van aalscholvers. Het gaat niet alleen om paling, maar ook om snoek en snoekbaars.”

Het onderzoek waar de Partij voor de Dieren bij monde van Rob van Oeveren aan refereerde staat beschreven in het RIZA-rapport 2001.058 “Aalscholvers in het IJsselmeergebied: concurrent of graadmeter?” uit mei 2002. Met dank aan de ambtelijke ondersteuning zijn wij er in dit geval wel in geslaagd het onderzoek te achterhalen waar de gedeputeerde naar verwijst.
Tot onze verbazing bleek echter dat de resultaten van dit onderzoek nog niet openbaar zijn en pas 5 oktober worden gepresenteerd. Over de interpretatie van de data wordt echter nog gediscussieerd. Het betreffende onderzoek is uitgevoerd door Witteveen en Bos; het heeft zich gericht op De Wieden en De Weerribben en de resultaten van dit onderzoek worden geëxtrapoleerd naar het IJsselmeer. Dit onderzoek richtte zich verder specifiek op de snoekbaars en niet op de snoek en de paling, zoals de gedeputeerde ten onrechte suggereert. Vooralsnog lijken de resultaten dat de invloed van de aalscholver op de snoekbaarsvisserij groter is dan voorheen gedacht.

6. Waarom baseert de gedeputeerde zich op resultaten van onderzoek dat nog niet is afgerond en waarom beschikt hij in dit stadium al over concept-gegevens uit dat rapport?

7. Bestrijdt de gedeputeerde de conclusie van RIZA dat de aalscholverstand het gevolg is van de overbevissing en niet de oorzaak van de slechte visstand? Zo ja, waarom?

8. Bent u zich ervan bewust dat onderzoek naar de invloed van de aalscholver op de aal heel anders uit kan vallen, dan onderzoek naar de invloed van de aalscholver op de snoekbaars?

Antwoorddatum: 17 sep. 2007

Ons antwoord aan provinciale staten luidt als volgt:

1. De heer Bond heeft zich vergist met een ander rapport. Er bestaat wel een rapport over de invloed van Aalscholvers op de visstand en er bestaat geen wetenschappelijk rapport over de paling en de Sargassozee. Onderzoek over dit onderwerp is nog in ontwikkeling.

2. Zie antwoord vraag 1.

3. Nee.

4. De ontwikkeling van beleid en regelgeving over aquacultuur vindt plaats op Europees en rijksniveau. De provincies hebben in deze geen directe rol.

5. Ja, wij ondersteunen vismigratievoorzieningen via ons waterbeleid en ons provinciaal vaarwegenbeheer (sluisbeheer).

6. De heer Bond houdt zich op de hoogte van ontwikkelingen via organisaties zoals het Bestuurlijk Platform Visserij, het ministerie van LNV en onderzoeksinstituten zoals Imaris.

7. Wij stellen de conclusies van de deskundigen niet ter discussie.

8. Ja.

Titel:PS-vraag 71: Van Oeveren over invloed aalscholver op palingvangst
Datum:18-09-2007
Nummer:71

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer