Staten­vragen inzake Damherten NPZK en AWD


27 oktober 2007

VRAGEN NR. 89

Aan de leden van Provinciale Staten van Noord-Holland

Haarlem, 19 oktober 2007

Onderwerp: Vragen van P. van Poelgeest (PvdD)

De voorzitter van Provinciale Staten van Noord-Holland deelt u overeenkomstig het bepaalde in artikel 45 van het Reglement van Orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van Provinciale Staten mede, dat op 19 oktober 2007, door het lid van Provinciale Staten, de heer P. van Poelgeest de volgende vragen bij Gedeputeerde Staten zijn ingekomen.

Inleiding

Onlangs bereikte mij het bericht dat Natuurmonumenten overweegt om 30-40 damherten (Dama dama) af te schieten in Nationaal Park Zuid Kennemerland (NPZK). De motivatie van Natuurmonumenten hiervoor is dat men wil voorkomen in dezelfde situatie als de Amsterdamse Waterleidingduinen (AWD) terecht te komen, te weten een grote populatie damherten die de verkeersveiligheid zou ondermijnen. De oplossing die in de AWD is gekozen, het verhogen van het hek, wordt als oplossing afgewezen omdat het landschappelijk niet aantrekkelijk zou zijn. De Partij voor de Dieren meent dat de voorgestelde maatregel van Natuurmonumenten populatiebeheer is.

Een vliegend hert (Lucanus cervus) is geen hert, of damhert, maar een insect. Een damhert kan niet vliegen. Een hek (hoogte 2,40m) is daarmee een uitstekend middel om te voorkomen dat damherten zich binnen of buiten een bepaald gebied begeven. Het plaatsen van zo’n hek langs de Zandvoortselaan heeft zijn uitwerking dan ook niet gemist. Het aantal aanrijdingen en het aantal herten dat op de weg wordt gezien is sterk gedaald.

Vragen
1. Is het afschieten van 30-40 damherten om te voorkomen dat de populatie verder groeit in feite populatiebeheer, of staat vast dat het allemaal recidiverende individuen zijn?

2. Is er volgens u sprake van een metapopulatie met twee subpopulaties (een in de AWD en een in NPZK) of is er door de verhoging van het hek een dusdanige scheiding tussen beide gebieden aangebracht dat er nu sprake is van twee gescheiden populaties?

3. Indien u van mening bent dat er sprake is van een metapopulatie, hoe vindt volgens u dan uit- wisseling plaats?

4. Indien u van mening bent dat er sprake is van een metapopulatie, hoe groot is de uitwisseling tussen beide subpopulaties?

5. Indien u van mening bent dat er sprake is van een metapopulatie, kan er dan wel sprake zijn van populatiebeheer in NPZK als in het kerngebied van de AWD geen populatiebeheer plaatsvindt? Zo ja, kunt u dat onderbouwen?

6. Bent u van mening dat het plaatsen van hekwerken ter vergroting van de verkeersveiligheid zwaarder weegt dan het niet plaatsen om esthetische redenen? Zo neen, waarom niet?

Het faunabeheerplan (FBP) Damhert veronderstelt in haar berekeningen dat er sprake is van één ongestructureerde populatie damherten.

7. Is er, door het plaatsen van het hek en de effecten daarvan, sprake van gewijzigde omstandigheden in de zin van artikel 80 lid e van de Flora en Faunawet? Zo neen, kunt u dat toelichten?

De voorwaarde voor een vrijstelling in het kader van de Flora en Faunawet artikel 68 is dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat. Nu blijkt dat er geen directe relatie is tussen de verkeersveiligheid en de populatiegrootte, in tegenstelling tot wat in het FBP staat aangegeven. Daarmee bedoel ik dat een toename van het aantal herten niet automatisch leidt tot minder verkeersveiligheid. Een goed hek voorkomt immers dat er ook maar één hert zich op de openbare weg bevindt, onafhankelijk van de grootte van de populatie. Daarnaast wordt de toegenomen verkeersveiligheid onderbouwd door een toename aan waarnemingen van dieren langs te weg, terwijl
onderzoekers van Alterra (Alterra rapport 1070) concluderen dat er geen relatie is tussen het aantal waarnemingen en het aantal aanrijdingen.

8. Bent u van mening dat met de mogelijkheid van een goed hek een bevredigende oplossing bestaat in de zin van artikel 68 lid 1 van de Flora en Faunawet? Zo nee, kunt u dat toelichten?

9.
Bent u van mening dat de schade aan landbouw de afgelopen jaren te beperkt is geweest om tot populatiebeheer over te gaan?

10. Hoe betrouwbaar is naar uw inzicht de aangegeven draagkracht in het FBP Damhert en hoe ziet u in die context het steeds genoemde getal 7000 in relatie tot het in de berekening gebruikte 3500?

11. Hoe betrouwbaar is naar uw inzicht de relatie tussen populatiegrootte en verkeersincidenten (zowel causaal als statistisch), die in het FBP Damhert gebaseerd is op weinig data en geen rekening houdt met eventuele barrières (zoals een g oed hek) tussen de populatie en de openbare weg?

12.
Wat is uw mening over het verwerken van overlast aan derden in het FBP, terwijl dat geen juridische basis voor afschot kan zijn?

13. Hoewel het FBP hoog opgeeft over de risico’s van het uitblijven van populatiebeheer, is het standpunt van de jachthouder anders. Hoe verklaart u dat verschil?

14.
Bent u van mening dat er door de toename van de damherten populatie de reeënpopulatie op termijn in de verdrukking komt? Zo ja, waarop baseert u dat?

15.
Bent u van mening dat afschot leidt tot onnodige onrust onder de damherten, wat bijdraagt tot meer verkeersonveilige situaties?

16.
Aangaande de populatie en de populatieontwikkeling van de damherten in de AWD wordt algemeen uitgegaan van de tellingen van Waternet. Gaat ook de provincie uit van deze tellingen en conclusies van Waternet of heeft de provincie (ook) eigen gegevens dan wel interpretaties?

De milieu- en natuureducatie vergroot de kennis van natuur en milieu en zorgt voor een natuur- en milieuvriendelijkere houding.

17. Deelt u de mening van de Partij voor de Dieren dat een natuurgebied waarin men een grote kans heeft oog in oog te staan met een wild hert een meerwaarde heeft voor de natuur en milieu-educatie?

Als er wordt overgegaan tot beheersjacht, dan zal het aantal dieren verminderen en de schuwheid van de dieren toenemen. De zichtbaarheid van de dieren zal daarmee met sprongen achteruit gaan.

18. Bent u van mening dat deze prijs voor beheerjacht een extra argument is om niet over te gaan tot afschot?

In de memo van 9 oktober 2007 betreffende damherten (C- agenda Natuur CI-5) staat dat:“ In het faunabeheerplan Damhert is opgenomen dat in Zuid-Kennemerland afschot van damherten kan plaatsvinden met als doel schade aan ecologie te voorkomen.”
In het faunabeheerplan komt het woord ecologie alleen terug in de titel van een literatuurverwijzing. Na telefonisch contact met de opsteller bleek de ecologische schade te gaan om voedselstress en schade aan flora door de grootte van de populatie.

Onder het kopje schadehistorie vermeldt het FBP:

“ Het thema “schade” laat zich hier onderverdelen in een drietal categorieën:
1 Verkeersveiligheid
2 Schade aan landbouwgewassen
3 Overlast voor derden”

19. Waar valt de in het memo gestelde ‘schade aan ecologie’ onder en hoe is deze schade aangetoond?

Voorts is bij ons enige onduidelijkheid ontstaan over de geldigheidsduur van het FBP.

In het FBP damhert staat:

“ Geldigheidsduur van dit faunabeheerplan reen en damherten is vijf jaar gerekendvanaf het moment van daadwerkelijk in bezit hebben van de gevraagde ontheffing.”

In het jaarverslag 2006 van de FBE staat dat de ontheffing in januari 2005 is verleend.

20. Klopt het dat het FBP damhert afloopt op 1 januari 2010, onverminderd het bepaalde in artikel 80, onderdeel e?

Gedeputeerde Staten zullen de gestelde vragen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 30 dagen na binnenkomst, beantwoorden.

Titel:PS-vraag 89: Van Poelgeest over damherten
Datum:19-10-2007
Nummer:89

Blijf op de hoogte van het laatste nieuws

    Abonneer op de nieuwsbrief