Staten­vragen: Invloed aalscholver op de paling­vangst


4 september 2007

Aan de leden van Provinciale Staten van Noord-Holland
Haarlem, 27 augustus 2007
Onderwerp: Vragen van de heer R. van Oeveren (PvdD)

De voorzitter van Provinciale Staten van Noord-Holland deelt u overeenkomstig het bepaalde
in artikel 45 van het Reglement van Orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden
van Provinciale Staten mede, dat op 27 augustus 2007, door het lid van Provinciale Staten, de heer R. van Oeveren de volgende vragen bij Gedeputeerde Staten zijn ingekomen.

Inleiding
In de Statenvergadering van 25 juni en 2 juli zei gedeputeerde Bond onder meer:
“U sprak over een onderzoek waaruit blijkt dat de gekweekte paling de weg naar de
Saragossazee niet vindt, terwijl ik beschik over een rapport waaruit blijkt dat het zo
bewonderenswaardig is dat dit wel gebeurt.”

Wij hebben erg ons best gedaan om dit betreffende rapport in handen te krijgen, maar zijn
daar helaas niet in geslaagd. Het is ons opgevallen dat de deskundigen die wij hierover
hebben geraadpleegd eveneens zeer benieuwd zijn naar ondersteuning van de hypothese dat
de gekweekte paling de Sargassozee wel degelijk weet te bereiken.
Voor het werkelijk duurzaam kweken van paling moet de kans dat een glasaal via
palingkweek tot reproductie komt, 2,5 tot 5 maal zo groot zijn in vergelijking tot de
natuurlijke situatie. Want nog steeds zal 60-80% van de gekweekte volwassen palingen
worden opgegeten.
De huidige kans op reproductie in de natuurlijke situatie is ook bijzonder laag voor de paling.
Dit komt niet alleen door de overbevissing, maar ook door de kunstwerken, die een hindernis
vormen voor de vismigratie. Zo bleek uit onderzoek van het hoogheemraadschap Rijnland dat
de gemalen van Katwijk en Halfweg belangrijke locaties zijn voor de intrek van glasaal en
andere migrerende vissoorten. Bij Katwijk werden tijdens vijf avonden in totaal ruim 15.000
vissen gevangen, waarvan 95% glasaal. Bij Halfweg werden tijdens tien avonden in totaal
ruim 62.000 vissen gevangen, waarvan 56% glasaal.
De gemalen lokken dus veel glasaal naar zich toe, maar zijn niet passeerbaar. De aal bereikt
derhalve de binnenwateren niet.

Vragen
1. Naar welk rapport refereert gedeputeerde Bond in bovenstaand citaat?
2. Wil de gedeputeerde dit betreffende rapport de staten doen toekomen?
3. Kunt u aantonen dat de gekweekte paling daadwerkelijk een 2,5 tot 5 maal hogere
kans op reproductie heeft wanneer het dier als glasaal in een aquacultuur terechtkomt
in vergelijking tot de natuurlijk situatie?
4. Bent u het met de Partij voor de Dieren eens dat zonder een dergelijke aantoonbare
hogere reproductie er geen sprake kan zijn van duurzame viskweek? Zo neen, waarom
niet?
5. Bent u bereid de waterschappen financieel te helpen om vismigratievoorzieningen
mogelijk te maken?

In dezelfde vergadering sprak de gedeputeerde eveneens:

“De heer Van Oeveren verwees naar een onderzoek wat ik niet ken, maar er zijn ook andere
onderzoeken. Deze maand zullen de uitkomsten van een nieuw onderzoek gepresenteerd
worden. Daarbij is daadwerkelijk onderzocht wat de gevolgen zijn voor de visstand van de
aanwezigheid van aalscholvers. Het gaat niet alleen om paling, maar ook om snoek en
snoekbaars.”

Het onderzoek waar de Partij voor de Dieren bij monde van Rob van Oeveren aan refereerde
staat beschreven in het RIZA-rapport 2001.058 “Aalscholvers in het IJsselmeergebied:
concurrent of graadmeter?” uit mei 2002. Met dank aan de ambtelijke ondersteuning zijn wij
er in dit geval wel in geslaagd het onderzoek te achterhalen waar de gedeputeerde naar
verwijst.
Tot onze verbazing bleek echter dat de resultaten van dit onderzoek nog niet openbaar zijn en
pas 5 oktober worden gepresenteerd. Over de interpretatie van de data wordt echter nog
gediscussieerd. Het betreffende onderzoek is uitgevoerd door Witteveen en Bos; het heeft zich
gericht op De Wieden en De Weerribben en de resultaten van dit onderzoek worden
geëxtrapoleerd naar het IJsselmeer. Dit onderzoek richtte zich verder specifiek op de
snoekbaars en niet op de snoek en de paling, zoals de gedeputeerde ten onrechte suggereert.
Vooralsnog lijken de resultaten dat de invloed van de aalscholver op de snoekbaarsvisserij
groter is dan voorheen gedacht.



6. Waarom baseert de gedeputeerde zich op resultaten van onderzoek dat nog niet is
afgerond en waarom beschikt hij in dit stadium al over concept-gegevens uit dat
rapport?
7. Bestrijdt de gedeputeerde de conclusie van RIZA dat de aalscholverstand het gevolg is
van de overbevissing en niet de oorzaak van de slechte visstand? Zo ja, waarom?
8. Bent u zich ervan bewust dat onderzoek naar de invloed van de aalscholver op de aal
heel anders uit kan vallen, dan onderzoek naar de invloed van de aalscholver op de
snoekbaars?

Gedeputeerde Staten zullen de gestelde vragen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 30
dagen na binnenkomst, beantwoorden.

Zie site van de Provincie Noord-Holland voor het pdf document

Blijf op de hoogte van het laatste nieuws

    Abonneer op de nieuwsbrief