Dorade en sardien voelen zich thuis in de Waddenzee


23 december 2007

De Dorade, de roofvis met scherpe tanden die vaak op de menukaart staat in landen rond de Middellandse Zee, is aangetroffen in de Waddenzee. Daarmee is dit jaar al een tweede zuidelijke vissoort in noordelijker wateren ontdekt.

In april werden honderden pelsers, volwassen ansjovissen, in de Waddenzee gevangen.
De dorade, in Nederland aangeduid als goudbrasem, voelt zich waarschijnlijk thuis in de warmere Waddenzee, waar door klimaatverandering de watertemperatuur is gestegen.

Het Koninklijk Nederlands Instituut voor Zeeonderzoek (NIOZ) op Texel heeft de goudbrasem ontdekt. Vier jonge goudbrasems van 12 à 13 centimeter zwommen in de fuik die het NIOZ al sinds 1960 bij de ingang van de Waddenzee heeft liggen, in het Marsdiep tussen Den Helder en Texel. Op 29 en 30 augustus en 2 september kwamen de visjes binnen.



Helemaal zeker is het NIOZ niet, dat de jonge visjes uit de vrije wateren van de Middellandse Zee afkomstig zijn. Het kan ook gaan om exemplaren die gekweekt zijn in visvijvers. Aquacultuur van dorade komt vaker voor in landen rond de Middellandse Zee en daaruit zouden ze kunnen zijn ontsnapt.

‘Het gegeven echter dat het hier om jonge exemplaren gaat, maakt het zeer aannemelijk dat het om wilde vissen gaat. Juist de jongen zijn geneigd grote tochten te ondernemen, waarschijnlijk om nieuw leefgebied te koloniseren’, zegt NIOZ-medewerker Jan Boon.
Net als de pelser zal ook de goudbrasem zich slechts tijdelijk in de Waddenzee ophouden, verwacht Boon.



Dat geldt niet voor de zeebaars, die vroeger alleen in zuidelijker wateren voorkwam maar nu algemeen is in de Waddenzee. Ook de zeekarper, die hetzelfde verspreidingsgebied heeft als de goudbrasem, wordt elk jaar in de Waddenzee aangetroffen. In het Marsdiep is de zeekarper al elf keer in de fuik van het NIOZ gezwommen.

In steeds grotere getale worden er in de Waddenzee ook sardientjes aangetroffen. De sardien (Sardina pilchardus) komt oorspronkelijk voor in het noordoosten en het oosten van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee.

Volgens Hans Witte van het (NIOZ) ligt de oorzaak van het feit, dat de Sardientjes steeds vaker hun oorspronkelijke leefgebied in de warme wateren van de Atlantische- en Middellandse Zee verlaten en de Waddenzee opzoeken, in de opwarming van de aarde.

Door het steeds warmer wordende water en de ondiepte van de Waddenzee ontstaat er door een overvloed aan plankton een ideaal leefgebied voor deze 25 centimeter lang wordende haring achtige vis die een maximale leeftijd van rond de 15 jaar kan bereiken.



Buiten de sardien rukken ook andere Zuidelijke soorten zoals ansjovis, zeebarbeel/mul, rode poon en zeebaars steeds verder op richting het noorden waardoor koudminnende soorten zoals schol, kabeljauw, heilbot, haring, schelvis en wijting het steeds moeilijker krijgen.

Het is niet altijd exact duidelijk welke veranderingen in de visstand het gevolg zijn van de klimaatverandering. Duidelijk is in ieder geval wel dat overbevissing de grootste bedreiging is voor de biodiversiteit van al het zeeleven.



Australische wetenschapers van de Commonwealth Scientific and Industrial Research Organization (CSIRO) stellen dat de opwarming van de bovenste waterlagen in de Stille Oceaan er voor zorgen dat vissen bijna 30 procent sneller groeien dan 50 jaar geleden. Door de aanhoudende opwarming van de aarde zullen ook vroeg of laat ook vissen op grotere diepten in zee leven sneller gaan groeien.

De stijgende temparatuur zal er in zijn algemeenheid toe leiden dat leefgebieden en soorten zullen verdwijnen, nieuwe leefgebieden zullen ontstaan en nieuwe soorten zullen komen. Aan het einde van de 21e eeuw zal de Waddennatuur er dan ook heel anders uitzien dan nu.

Peter van Poelgeest.

www.volkskrant.nl
www.nioz.nl

Blijf op de hoogte van het laatste nieuws

    Abonneer op de nieuwsbrief