Vervolg­vragen over lucht­kwa­liteit als aan de provincie toever­trouwd belang (GroenLinks, SP, PvdD, ONH, CU-SGP, 50PLUS)


Inleiding

In de vergadering van Provinciale Staten van 7 maart 2016 hebben vragenstellers een motie M03/2016 'Nee tegen 130 op de A2' ingediend, waarmee Gedeputeerde Staten werden opgeroepen een zienswijze in te dienen op het voornemen van de minister van Infrastructuur en Milieu tot verhoging van de maximumsnelheid op rijksweg A2.
Gedeputeerde Staten hebben bij de bespreking van de motie gesteld dat zij betwijfelen dat een bestuursorgaan van onze provincie wordt aangemerkt als belanghebbende, in geval van indiening van zo'n zienswijze. Namens Gedeputeerde Staten zei de gedeputeerde voor Milieu (notulen pag. 28, r. 1066-1067): "Dan ten aanzien van de ontvankelijkheid van de zienswijze, D66 en het CDA vroegen dat. Ik kan u alleen maar zeggen dat bij ons in het college grote twijfel is over de ontvankelijkheid van deze zaak, waar wij naar ons gevoel toch wel vrij ver buiten staan."
Met schriftelijke vragen van 10 maart 2016, nr 2016|33, hebben vragenstellers aan Gedeputeerde Staten verzocht om onderbouwing van deze twijfels.
In hun beantwoording van deze vragen hebben gedeputeerde alsnog moeten vaststellen dat op het omstreden verkeersbesluit tot verhoging van de maximumsnelheid een ieder een zienswijze kon indienen.
Hoewel vragenstellers daar niet om hadden verzocht, hebben Gedeputeerde Staten in hun antwoorden nu ook naar voren gebracht dat eerst bij het instellen van beroep de provincie niet ontvankelijk zou zijn en niet als belanghebbende zou worden aangemerkt. Volgens Gedeputeerde Staten heeft de minister bij het nemen van het verkeersbesluit namelijk zelf al een belangenafweging gemaakt aangaande de belangen voor het milieu (en dus de luchtkwaliteit), zodat de provincie daarom dus geen belanghebbende kan zijn in de door de minister gemaakte belangenafweging.
Overigens hebben Gedeputeerde Staten van Utrecht op 29 maart 2016 na een oproep daartoe van Provinciale Staten wél besloten een zienswijze in te dienen op het voornemen van de minister van Infrastructuur en Milieu tot verhoging van de maximumsnelheid op rijksweg A2. Zij voeren daarbij aan dat de voorgenomen snelheidsverhoging leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit, verhoging van de geluidsoverlast en een grotere CO2 emissie. Daarnaast zijn blijkens de zienswijze van Gedeputeerde Staten van Utrecht door het RIVM, TNO en de TU Delft reeds vraagtekens geplaatst bij de prognoses voor de luchtkwaliteit.

Vragen

1. Kunnen Gedeputeerde Staten - gezien hun antwoord op vraag 5 van de schriftelijke vragen 2016|33 dat een ieder een zienswijze kon indienen - bevestigen dat hun bij monde van de gedeputeerde voor Milieu in de vergadering van provinciale staten van 7 maart 2016 geuite grote twijfel bij de ontvankelijkheid van de provincie bij het indienen van een zienswijze ongegrond was, en ongerechtvaardigd?

2. Zijn Gedeputeerde Staten bekend met de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 december 2015, zaaknummers UTR 13/244, UTR 13/266 en UTR 13/268, ECLI:NL:RBMNE:2015:9162, waarbij de rechtbank de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht en de gemeente Ronde Venen als belanghebbenden heeft aangemerkt en ontvankelijk verklaard in hun beroepen tegen de gevolgen voor het milieu (waaronder luchtkwaliteit) van het besluit van de minister van Infrastructuur en Milieu tot verhoging van de maximumsnelheid op de Rijksweg A2?

3. Zijn Gedeputeerde Staten bekend met de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2014, zaaknummers AMS 12/6259 en AMS 13/106, ECLI:NL:RBAMS:2014:136, waarbij de rechtbank het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam als belanghebbende heeft aangemerkt en ontvankelijk verklaard in zijn beroep tegen de gevolgen voor de luchtkwaliteit van het verkeersbesluit van de minister van Infrastuur en Milieu tot verhoging van de maximumsnelheid op de A10 West?

4. Is het Gedeputeerde Staten bekend dat de rechtbank Amsterdam het beroep van burgemeester en wethouders van Amsterdam gegrond heeft verklaard (r.o. 4.10), omdat de minister het bestreden verkeersbesluit voor wat betreft de gevolgen voor de concentraties stikstofdioxide onvoldoende zorgvuldig had voorbereid, en dat de rechtbank daarom het verkeersbesluit heeft vernietigd?

5. Is het Gedeputeerde Staten opgevallen dat de rechtbank Midden-Nederland in haar uitspraak (r.o. 6) en de rechtbank Amsterdam in haar uitspraak (r.o. 4.3) heeft geoordeeld dat het milieubelang, waaronder ook de luchtkwaliteit kan worden geschaard, één van de belangen is die kunnen worden betrokken in de te maken belangenafweging bij het nemen van een verkeersbesluit?

6. Begrijpen Gedeputeerde Staten de oordelen van de rechtbanken Midden-Nederland en Amsterdam dat andere bestuursorganen belanghebbend en ontvankelijk zijn in 2016 52 3 beroepen tegen een dergelijk verkeersbesluit van de minister en de daarbij door de minister gemaakte afweging van de belangen van milieu en luchtkwaliteit, indien daarmee de aan deze bestuursorganen toevertrouwde milieubelangen zouden kunnen worden geschaad?

7. Welke betekenis heeft het antwoord op vraag 6 indien daarbij wordt betrokken het antwoord op vraag 3 van de schriftelijke vragen 2016|33, waaruit blijkt dat tussen Gedeputeerde Staten en vragenstellers onomstreden is dat het verder verbeteren van de luchtkwaliteit in de provincie een provinciaal belang is?

8. Kunnen Gedeputeerde Staten in het licht van hun antwoorden op vragen 6 en 7 nadere uitleg geven aan hun standpunt als verwoord in antwoord op vraag 5 van de schriftelijke vragen 2016|33, namelijk dat wanneer de minister bij het nemen van een verkeersbesluit het milieubelang reeds heeft afgewogen, de provincie daarom dus in beroep tegen deze belangenafweging van de minister geen belanghebbende is en niet ontvankelijk?

9. Bedoelen Gedeputeerde Staten in algemene zin dat wanneer een bestuursorgaan een belangenafweging heeft gemaakt een ander bestuursorgaan de gemaakte belangenafweging niet in beroep kan aanvechten?

Antwoord 1: Nee, in het licht van de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State was dat niet ongegrond en niet onrechtvaardig. Het staat iedereen vrij om zienswijzen in te dienen. Echter, in een eventuele beroepsprocedure zal de bestuursrechter ambtshalve moeten toetsen of Gedeputeerde Staten belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De beoordeling of een partij belanghebbende is, met andere woorden of er sprake is van een toevertrouwd belang, gebeurt in de eerste plaats aan de hand van concrete bestuursbevoegdheden. Ook taakomschrijvingen die niet tevens een concrete bestuursbevoegdheid inhouden kunnen worden gezien als toevertrouwde belangen. Deze omschrijvingen moeten dan wel gedetailleerd uitgewerkt zijn (zie bijvoorbeeld ABRvS 21 juli 2004, LJN AQ3694). Het college van Burgemeester en Wethouders heeft bijvoorbeeld een toevertrouwd belang waar het gaat om de ruimtelijke ordening van het grondgebied van een gemeente (ABRvS 5 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3922). Echter, op basis van jurisprudentie lijkt het dat een meer algemene taakomschrijving op zichzelf onvoldoende basis is voor het hebben van een toevertrouwd belang (zie ABRvS 13 juli 2005, LJN AT9239).

Antwoord 2: Ja. Wij verwijzen hiervoor naar de bij de beantwoording van vraag 1 genoemde jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Antwoord 3: Ja. Wij verwijzen hiervoor naar de bij de beantwoording van vraag 1 genoemde jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Antwoord 4: Ja. Wij verwijzen hiervoor naar de bij de beantwoording van vraag 1 genoemde jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Antwoord 5: Ja. Wij verwijzen hiervoor naar de bij de beantwoording van vraag 1 genoemde jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Antwoord 6: Ja, maar het is nog niet duidelijk hoe de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State deze zaken in geval van hoger beroep zal beoordelen in het licht van de eigen jurisprudentie op dit punt (zie beantwoording van vraag 1).

Antwoord 7: Het verder verbeteren van de luchtkwaliteit in Noord-Holland, gericht op het creëren van een gezonde(re) leefomgeving voor haar inwoners is een doelstelling in het provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018. Het is echter gezien de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State onduidelijk of dit als toevertrouwd belang aangemerkt zal worden in een beroepsprocedure (zie beantwoording van vraag 1).

Antwoord 8: Zie hiervoor de beantwoording van de vragen 1 en 7.

Antwoord 9 Nee, zie hiervoor de beantwoording van de vragen 1 en 7.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer